donderdag 23 maart 2017

Het is weer Boekenweek! [2012]


De Boekenweek van 2012, die vanavond begint met het Boekenbal, is een jubileumeditie. Het is namelijk tachtig jaar geleden dat er voor het eerst een Boekenweek werd gehouden. Ook voor mij is het een soort van jubileum, want ik ben voor de 32ste keer niet uitgenodigd voor het vermaarde en beruchte openingsfeestje. In het najaar van 1980 verscheen mijn eerste vertaling bij een gevestigde uitgeverij en daarom wachtte ik in het voorjaar daarna op een uitnodiging. Tevergeefs. En ik wacht nog altijd op zo’n invitatie. Alleen maar om haar niet aan te nemen overigens, want ik zou niet weten wat ik op zo’n feest zou moeten: ik dans beroerd en drink met mate.

Het zou kunnen dat één vertaling in 1980 nog niet voldoende was voor een entreebiljet. Maar dertig ook niet, plus een stuk of negen Hermans-delen en nog wat plankjes bedrukt papier? Terwijl het bij sommige mensen toch gemakkelijker gaat. Gisteren zat bijvoorbeeld Gerdi Verbeet, voorzitter van de Tweede Kamer, in De Wereld Draait Door, want ze had een boek gepubliceerd. Het is, na het in een ringband gestoken Handboek beroepsopleidingen uit 1992, haar tweede. Op de vraag van Matthijs van Nieuwkerk of ze naar het Boekenbal ging zei ze blij en vrolijk: ‘Natuurlijk ga ik naar het Boekenbal!’ Er lijkt inderdaad een natuurlijke relatie te bestaan tussen een optreden met een al dan niet zelf geschreven boek in DWDD en een parade langs Tonko Dop in het late journaal van de dag van het Boekenbal. Echte schrijvers zijn er nauwelijks nog bij nu Mulisch en Vinkenoog dood zijn.
De Boekenweek is zo diep gezonken dat zelfs het Telegraaf-televisieochtendprogramma Vandaag de Dag er aandacht aan besteedde. Ze hadden een stagiair naar het Centraal Station in Amsterdam gestuurd om te kijken of er een schrijver te spotten viel die op weg was naar het Boekenbal. Let wel: om acht uur ’s ochtends! En wie verschijnt daar: Heleen van Royen. Die werkt daar zeker in de buurt.
Heleen heeft óók een Boekenweekgeschenk geschreven, en wel voor de bekende uitgeverij Het Kruidvat. Het heet Verboden vruchten, zoals alle boeken van Heleen van Royen, geloof ik. Wat ze ging aantrekken naar het Boekenbal? Een Armani-jurk. Wat ze ging meenemen naar het Boekenbal? Een gbf natuurlijk, u weet wel, want daar gaat het boekie over, en viagra. Die Armani-jurk zal dus ook nog wel uitgaan tijdens dat Boekenbal. Maar als ik naar het Boekenbal had mogen gaan, zou ik tegen die tijd vermoedelijk allang vertrokken zijn.

Eerder, op 13 maart 2012, gepubliceerd op www.textualscholarship.nl, en hier zeer licht redactioneel gewijzigd. De uitgeverij van het boekje van Heleen van Royen heet overigens feitelijk – maar dat maakt het er niet beter op – Wind Publishing.

woensdag 15 maart 2017

Stemmen

In en rond de jaren negentig deed ik een stuk of tien verkiezingen lang mijn burgerplicht als lid en later voorzitter van een stembureau in een van de grote steden. Mijn eerste bureau was in een katholieke basisschool aan de rand van de stad, het voormalige hoofd der school was de voorzitter van het stembureau. De leden van het stembureau moesten – en moeten dat natuurlijk nog steeds – van alles doen om te zorgen dat iedereen die wil stemmen dat ook netjes kan doen, dat er geen mensen stemmen die niet mogen stemmen, dat de administratie klopt, dat het stemmen geheim is, enzovoort.

Dat geheime stemmen was regelmatig een probleem, want er waren verrassend veel echtgenoten – en niet alleen met een niet-Nederlandse achtergrond – die hun vrouw wilden helpen met stemmen. Ook de voorzitter van het stembureau was graag bereid zwevende kiezers – ik herinner me een bejaarde dame die meedeelde dat ze niet wist wat ze moest stemmen nu haar man was overleden – een handje te helpen door mee te lopen naar het stemhokje, het vrijblijvende advies te geven CDA te stemmen en te zorgen dat dat ook gebeurde. Een ander lid van het stembureau was niet te beroerd om regelmatig te verkondigen dat hij lid was van de VVD, en behalve dat verbasterde hij zorgvuldig elke naam met een niet-Nederlandse achtergrond, tot en met de voornamen Ali en Mohammed.

Een bijna vaste afsluiting van de dag in het stembureau was de verschijning van een verwarde oudere jongere, bij elk weer gekleed in een korte broek en altijd vergezeld van een hond, die twee minuten vóór sluitingstijd, en ook wel eens een minuut erna, in grote verwarring met een vaker gewassen paspoort en zonder kwijtgeraakte stempas langskwam. Een ander vast onderdeel waren ook de oudere heren met een niet-Nederlandse achtergrond die met meer dan het toegestane aantal volmachtkaarten verschenen en die maar moeilijk wilden begrijpen dat er in de kieswet een maximum wordt vermeld. Als ze het wel leken te begrijpen stemden ze volgens de regels maar probeerden ze het een uur later nog eens, nu met een correct aantal volmachten, en wij dan weer uitleggen dat ook zo’n tweede keer niet volgens de regels was.

Een zo’n geval was voor mij de reden om mijn burgerplicht voortaan op een andere manier te gaan uitoefenen. De laatste keer dat ik voorzitter was van een stembureau – in de kelder van een flatgebouw in een probleemwijk – had ik zo’n seriestemmer weggestuurd, maar ook deze kwam terug, en wel met een gemeenteraadslid met een niet-Nederlandse achtergrond, dat begeleid door twee grote heren bij mij verhaal kwam halen, verbaal natuurlijk, maar wel op een onprettige manier. Hij belde namelijk het hoofd van het stedelijke stembureau op en gaf mij zijn telefoon, waarna dat hoofd mij vriendelijk verzocht dat met die volmachten toch maar oogluikend toe te staan. Hoewel ik het niet met honderd procent zekerheid kan zeggen, hoop ik dat ik dat advies niet heb opgevolgd. Ik weet wel dat ik het voorval in het proces-verbaal van de activiteiten van ons stembureau heb gemeld, maar ik weet ook zeker dat ik er nooit iets over heb gehoord.

Zo, en nu maar eens kijken hoe het buurtstembureau in de kerk hier schuin tegenover zijn werk doet.

Ook op Facebook, 15 maart 2017.

woensdag 8 maart 2017

Hillering Lotgebrand. Over de brieven van Annie M.G. Schmidt [2011]

Stel: uw blindedarm moet eruit. U gaat naar het ziekenhuis en neemt plaats op de operatietafel. De chirurg zegt tegen u: deze ingreep heeft geen geneeskundige pretenties. U zet het natuurlijk op een lopen en gaat naar een echte dokter. Maar wat doet u als u in een boek met historische documenten van een literator leest: dit boek heeft geen literair-historische pretenties? Hard weglopen misschien niet, maar mijn advies zou zijn: kritisch lezen en voorzichtig gebruiken.
Het boek waarover ik het wil hebben is Liefs van Annie. De mooiste brieven van Annie M.G. Schmidt, verschenen bij uitgeverij Querido ter gelegenheid van de honderdste verjaring van de geboortedag van de schrijfster, die leefde van 1911 tot 1995. In de inleiding van Schmidt-biografe Annejet van der Zijl staat het: ‘hoewel geprobeerd is Liefs van Annie zo zorgvuldig mogelijk samen te stellen, heeft deze bundel geen wetenschappelijke of literair-historisch pretentie. Het doel was de lezer nog een keer te verrassen, te amuseren en te ontroeren met het veelzijdige talent en de unieke persoonlijkheid van een van Nederlands grootste schrijvers.’ Dat ‘nog een keer’ snap ik niet, want ik geloof niet dat er eerder zo’n brievenboek is verschenen, maar het klopt wel dat het boek veel prachtige en interessante brieven en leuke foto’s bevat, en bovendien facsimile’s van brieven.
 Een afbeelding is er bijvoorbeeld van een op 11 december 1955 geschreven briefje aan Liesbeth en Otto Montagne. We zien een, neem ik aan, verkleinde afbeelding van een vel kladpapier, waarvan een deel is afgescheurd. De brief is met de schrijfmachine geschreven en door Schmidt met een pen ondertekend. De hoofdletter O springt. We zien dat de briefschrijfster vaak voor en na komma’s, punten en andere leestekens een aantal spaties zet. Annie schrijft ook een beetje ouderwets, naar huidige maatstaven gerekend tenminste. De brief gaat over de aanstaande kerstvisite van de ontvangers van het briefje: ‘Komen jullie dus Zaterdag? Daar rekenen we op, tenzij jullie het te lang vindt en bang bent dat je Zondagmorgen al tegen het plafond vliegt van ellende en verveling.’ We zien dus ook dat Schmidt de dagen van de week met een hoofdletter schrijft, en dat kon nog net, want de nieuwe spelling, waardoor dat niet meer moest, werd eind 1955 ingevoerd. Maar ze schrijft vooral leuke zinnen, en dat is wat deze brieven zo aantrekkelijk maakt: ‘Als jullie met de trein komen, zal Dick je met de Citroen komen halen. Als je met de helicopter komt ook.’
Van deze brief hebben we dus een facsimile, maar ook een gedrukte tekst. Hierboven citeerde ik uit de afbeelding, maar in de gedrukte tekst ziet de zin na ‘Komen jullie dus Zaterdag?’ er als volgt uit: ‘Daar rekenen we op, tenzij jullie het te lang vinden en bang zijn dat je zondagmorgen al tegen het plafond vliegen van ellende en verveling.’ Weg dus de karakteristieken die deze brief tot een document van Annie M.G. Schmidt uit de jaren vijftig maken. Ook de ‘helicopter’ moest er aan geloven: die is gemoderniseerd tot ‘helikopter’. Omdat de ‘Citroen’ waar Schmidt het over heeft ongetwijfeld een Citroën is, wordt ons een grapje, hoe flauw ook, onthouden.
Waarom gebeurt dit? De ‘Verantwoording’ achterin het boek legt niet uit waarom er zo fors moest worden ingegrepen. Er staat alleen: ‘Gekozen is de brieven aan de huidige spelling aan te passen.’ Maar ‘jullie het te lang vindt’ veranderen in ‘jullie het te lang vinden’ heeft niets met spelling te maken. ‘In de tekst is zo min mogelijk ingegrepen’ noemt de verantwoording dat en gaat vrolijk verder: ‘De opmaak is geüniformeerd, de interpunctie is gecorrigeerd en aangevuld waar nodig (bijvoorbeeld bij het ontbreken van een punt aan het eind van een zin, en het toevoegen van komma’s). De alinea-indeling is zoveel mogelijk gehandhaafd. Schrijf- en typefouten zijn verbeterd, evidente spelfouten zijn gecorrigeerd. De spelling van namen is gelijkgetrokken.’ Zo min mogelijk ingrepen? Maar nog altijd vele malen meer dan een uitgave met literair-historische pretenties zou doen. Want dat doet een wetenschappelijke editie: die gaat behoedzaam met de teksten van een auteur om.
Ingrijpen had een redacteur overigens wel moeten doen in de kromme zinnen in de ‘Verantwoording’, zoals die tussen haakjes in het citaat hiervoor. Nog meer kroms. De manier van annoteren in dit brievenboek wordt met deze zin verklaard: ‘In de noten worden waar dat relevant geacht wordt namen van personen en hun eventuele onderlinge relaties toegelicht, alsmede namen van periodieken, gezelschappen of instanties; persoonlijke en historische gebeurtenissen.’ Wat is de functie van die puntkomma? Een duidelijk verantwoordelijke voor deze rare zinnen is overigens niet aan te wijzen. Inleidster Annejet van der Zijl heeft, zoals uit haar voorwoord blijkt, wel een hand gehad in de keuze van de brieven, maar ‘Eindselectie en annotatie waren in handen van uitgeverij Querido, samen met Flip van Duijn.’ Van Duijn is de zoon van Annie M.G. Schmidt.
Over die annotatie valt het een en ander op te merken. Prettig zijn de vele verhelderende citaten uit brieven die de selectie niet hebben gehaald. Voor een aantal voetnoten is serieus informatie gezocht, voor weer een aantal minder serieus, en voor een ander deel is er met de pet naar gegooid. Minder serieus noem ik de voetnoten die min of meer letterlijk van Wikipedia zijn overgenomen. Op p. 299 van het boek komt ‘professor Sickbock’ voor. De voetnoot hierbij in het boek: ‘Professor Joachim Sickbock is een personage uit Tom Poes, geschreven en getekend door Marten Toonder. Hij is een kwaadaardige professor en een geit.’ Wikipedia zegt: ‘Professor Joachim Sickbock is een stripfiguur uit de Nederlandse stripreeks Tom Poes, […] geschreven en getekend door Marten Toonder. Hij is een kwaadaardige professor en als dierensoort een geit.’ Behalve overgeschreven is dit feitelijk onjuist: Marten Toonder was geen geit.
Op p. 308 wordt het woord ‘hillbilly’ uitgelegd: ‘Met Hillbilly’s werden in de VS armere en lager opgeleide personen uit heuvelachtige plattelandsgebieden aangeduid.’ Wikipedia zegt: ‘Hillbilly is een pejoratieve term waarmee in de Verenigde Staten armere en lager opgeleide personen uit het Appalachengebied werden aangeduid. Later verspreidde de term zich naar een meer algemene aanduiding van arme laag opgeleide personen uit heuvelachtige plattelandsgebieden.’ Op p. 208 wordt Erich Kästner een ‘Duitse schrijver, dichter en cabaretier’ genoemd, net als op de Nederlandse Wikipedia. De Duitse versie daarvan maakt duidelijk dat de informatie daar door de Nederlandstalige wikivuller verkeerd is begrepen: Kästner schreef voor het cabaret. Wat dit soort overschrijverij aangaat: Duitse ministers worden voor dergelijke bronloze overnames de laan uitgestuurd.
Bij veel annotaties in dit boek vraag ik me af: voor wie zijn ze eigenlijk geschreven? Wil ik uitgelegd krijgen dat Schmidt met ‘pliessiegent’ politieagent bedoelt? Voor wie is de voetnoot bedoeld dat de nsb een ‘omstreden rechtse’ organisatie was, die ‘in deze crisisjaren grote aanhang verwierf’? En wat moeten we, ook in de categorie nationaalsocialisme, met de mededeling dat een kennis van Schmidt Adolf Hitler beschouwde ‘als de verpersoonlijking van het fascisme dat Europa in de jaren in zijn greep kreeg’? Hebben we hier te maken met de – zelden zo toepasselijke – Jip en Janneke-toon? Denken de voetnotenmakers dat deze brieven én hun voetnoten worden gelezen door de lezertjes van Pluk van de Petteflet? Maar dan moet je die lezertjes ook uitleggen wat ‘mazout’ is en ‘double bill’ en ‘brouille’ – en dat gebeurt niet.
De voetnotenmakers vinden het relevant ons te vertellen dat Louis Davids in 1936 ‘als spil van het Nederlands amusement [gold]’, Simon Carmiggelt ‘gold destijds als een van de populairste schrijvers van Nederland’, Wim Kan en Corrie Vonk waren een ‘[i]n die jaren al heel bekende cabaretier en zijn vrouw’, Piet Muller ‘genoot enige bekendheid als redacteur van Opwaartsche Wegen’ en Adriaan Roland Holst was een ‘bekende dichter’. Bij de meeste andere mensen moet de lezer zelf uitzoeken of ze bekendheid genoten of niet. Wanneer Schmidt in Frankrijk een paardenrace bezoekt lopen daarin twee dieren van ‘Ali Khan’ mee. In de voetnoot krijgen we wel een gecorrigeerde spelling van deze Prins Aly Aga Khan geboden en het feit dat hij getrouwd was met de filmster Rita Hayworth, maar waardoor hij zelf enige bekendheid genoot wordt niet meegedeeld.
Er staan ook voetnoten in dit boek die meer vragen oproepen dan beantwoorden. Die over Els Hendrix bijvoorbeeld. Op p. 66 staat deze voetnoot: ‘Els Hendrix was een collega […]. Met haar en haar toekomstige man Dick van Dien zou Annie levenslang bevriend blijven.’ Maar op p. 189 staat: ‘Els en Dick van Dien behoorden nog steeds tot de beste vrienden van Annie’. Dat ‘nog steeds’ maakt me nieuwsgierig: wat is er dan gebeurd, en kwam het desondanks weer goed? Maar dat wordt ons niet verteld. Nog zo’n verwarrende voetnoot: in een brief aan tekenares Fiep Westendorp wordt gerefereerd aan ‘narigheid in Laren’. De uitleg is deze: ‘Margot had een huis in Laren, en er waren problemen met de bewoners, die bij haar afwezigheid de dieren in en rondom haar huis verzorgden.’ Wie Margot is en wat haar relatie is met Fiep moet je onthouden hebben uit een eerdere brief, want een nadere aanduiding of een verwijzing is er niet. Bovendien: hoe zit dat met dat huis? Margot woont blijkbaar in haar eigen huis in Laren, want ze heeft er dieren en is wel eens afwezig. Maar die dieren worden verzorgd door ‘de bewoners’. Wonen die in datzelfde huis? Vanwege die vage voetnoot wil ik het allemaal weten, hoewel het voor de brief, en dus ook voor mij, onbelangrijk is. Heldere annotatie zorgt dat de lezer tevreden is.
Twijfelachtige noten zijn er ook, en die gaan over joden en homo’s. Homo’s komen nogal eens voor in dit boek, en dan zijn het vaak vriendjes of levenspartners van Wim Sonneveld. Maar waarom moet er bij een vriend van Schmidts zoon Flip ook worden vermeld dat hij homoseksueel is, zonder dat dat een rol speelt in de brief? Omdat hij van beroep balletdanser was? Van dezelfde categorie is de typering van het warenhuis Gerzon als een joods warenhuis, terwijl dat in de betreffende brief geen enkele rol speelt. En idem de toelichting bij Shulamith Firestone: een ‘joodse, in Canada geboren, radicale feministe’. Waarom dat ‘joodse’? Omdat het zo’n duidelijk joodse naam is? (En waarom ‘in Canada geboren’? Omdat dat zo op Wikipedia staat.) Gloria Steinem is blijkbaar geen duidelijk joodse naam, want zij is in de voetnoot die aan haar gewijd is gewoon een ‘Amerikaanse feministe’, zonder vermelding van haar joodse achtergrond. Nog een joodse kwestie: in 1933 schrijft Schmidt aan haar moeder dat ze een boek van Siegfried van Praag aan het lezen is (‘een bekend joods schrijver’). ‘In de leeszaal [van de bibliotheek waar Schmidt werkt; JG] komt vaak een broer van hem, zo lelijk, net een aap en een groot mispunt erbij.’ Een zin die wat mij betreft geen enkele aanleiding geeft tot deze voetnoot: ‘Siegfried van Praag was beslist geen lelijke man. Moeten we deze opmerking duiden als “alledaags antisemitisme”? Dat was in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog gemeengoed in Nederland.’ Ten eerste: Schmidt vond niet Siegfried van Praag een lelijke man en een mispunt, maar diens broer. En ten tweede: wordt Schmidt hier niet door haar zoon (want die schreef de voetnoot, neem ik aan) beschermd vanwege iets dat ze vermoedelijk niet eens bedoelde?
Voetnoten in alle soorten en maten dus: accurate, twijfelachtige, onduidelijke, gemakzuchtige. Nattevingerwerk zit er ook bij, zoals die over auto’s – en ik geef toe: dat is een persoonlijke hobby van ondergetekende. Van de voetnotenmakers duidelijk niet, maar ze doen wel alsof. Een noot bij het woord ‘eend-camionelle’ vermeldt: ‘Flip had een lichtblauwe bestel 2CV (deux-chevaux, in de volksmond “lelijk eendje”).’ Ten eerste wordt ons het merk (Citroën) van dit type onthouden, en bovendien heet zo’n ding een camionette, met t’s, niet met l’s. En een redacteur had wel een streepje tussen ‘bestel’ en ‘2CV’ mogen zetten. Schmidt schreef overigens in 1960 voor Citroën Nederland het liedje ‘Het lelijke eendje’, en dat zou ik er, zeker als ik met de Franse slag voetnoten aan het maken was, zeker bij hebben verteld. Nog meer verkeerde auto’s, nu die van Annie M. G. Schmidt zelf. Ín een brief uit 1969 vermeldt ze een rit naar haar huis in Frankrijk in een ‘Spider’. De voetnoot corrigeert deze Fiat 850 cabriolet ten onrechte in een ‘Spyder’. Drie jaar later, in 1972, is de Fiat ingeruild voor een Peugeot, en wel, zo vertelt de noot, een 306 cabriolet. Maar die kwam, zo is op Wikipedia te vinden, pas in 1994 op de markt. Het zal een 304 zijn geweest. Dit gaat, zal menigeen zeggen, over niks, dus waar maak je je druk om. Maar dan wil ik, als de regel is dat we er bij het maken van een boek met de pet naar mogen gooien als we vinden dat het over niks gaat, die regel ook in de verantwoording zien.
Azijnpisserij? Zeker. Eén voetnoot gaat zelfs over azijn. In 1950 schrijft Schmidt aan haar nieuwe levenspartner Dick van Duijn: ‘Eigenlijk moest ik in de azijn duiken’, en dat moet natuurlijk worden toegelicht. De voetnotenmakers concludeerden, zo vermoed ik, uit een andere, niet-gepubliceerde brief dat het om een receptenboekje ging dat Schmidt samen met Riek Lotgering-Hillebrand voorbereidde. (Een voetnoot over haar had, met dank aan Wikipedia, kunnen luiden: ‘Een destijds enige bekendheid genietende voedingsdeskundige.’) Maar Schmidt noemde Lotgering-Hillebrand in de niet-gepubliceerde brief blijkbaar, wellicht omdat ze haar niet kon uitstaan, schertsenderwijs ‘Hillering Lotgebrand’. En de voetnoot en het register noemen deze dame dus: ‘Hillering Lotgebrand’. Geen belletje ging rinkelen bij de voetnotenmakers, geen azijnpisser in de buurt om onraad te ruiken.
Maar het zijn prachtige brieven.

Eerder, op 28 september 2011, gepubliceerd op http://fleursdumal.nl/index.php?s=gielkens&x=0&y=0 en hier licht redactioneel gewijzigd.

dinsdag 7 maart 2017

‘het staat er echt.’ over biografieën, bronnen en boerenbedrog

                                                                           ‘Waar je ’t pakt, daar is ’t modder’[1]

Mag ik mij even voorstellen: ik ben een ‘grote eekhoorn’, een ‘schaap’, een ‘hooligan’, een ‘terrorist’ en een ‘foutjesvinder’, ik behoor tot een ‘camarilla’, een ‘cabale de devots[!]’ en de foutengestapo, ik spreek ‘ambtelijke dieventaal’, ik lijd aan ‘filologische bijziendheid’ en ik zit in een ‘kleine cabale van tekstediteurs’ – het zijn kwalificaties van Willem Otterspeer voor mij en voor anderen die kritiek hebben op zijn publicaties over Willem Frederik Hermans, of voor collega-wetenschappers in het algemeen.[2]
        Ik heb al een aantal keren geprobeerd duidelijk te maken dat De mislukkingskunstenaar, het eerste deel van Otterspeers Hermans-biografie, een waardeloos product is.[3] Het is opgebouwd uit incorrecte en manipulerende citaten, onvolledige en onjuiste bronvermeldingen, onvoldoende gewogen bronnen en suggestieve formuleringen, en dat alles ingepakt in een ondeskundig en vooral ongeïnteresseerd geredigeerd en uitgegeven boek. Bij deel 2 van de biografie, De zanger van de wrok, is dat allemaal niet anders. Ik zal dat hieronder aantonen.
       
Dit artikel gaat niet over Otterspeers visie op Hermans of diens werk, over zijn interpretaties en analyses, en ook niet over de vele inhoudelijke omissies. Ik wil het hebben over de manier waarop de biograaf met zijn bronnen omgaat. Wie een (literair-)historisch werk schrijft, moet zich, voor hij aan het analyseren en interpreteren slaat, met feiten bezig houden. Die feiten staan op papier, gedrukt en gepubliceerd of ongepubliceerd in archieven, en wat niet op papier staat (mondelinge getuigenissen bijvoorbeeld) moet worden opgeschreven. Dat moet allemaal netjes gebeuren, nauwkeurig, volgens de ambachtelijke regels en mores die daarvoor gelden. Die regels en mores zijn er om je werk controleerbaar te maken: alles wat je aanvoert, citeert en noemt moet ook terug te vinden zijn; het onderzoek moet overgedaan kunnen worden – het is een van de kernaspecten van wetenschap. En wanneer met inachtneming van die mores en regels van al dat feitenmateriaal een verhaal gemaakt is, moet die controleerbaarheid vorm krijgen in een publicatie, en ook een dergelijke publicatie ontstaat volgens bepaalde regels en mores, die niet alleen de controleerbaarheid maar ook de leesbaarheid ten goede moeten komen, door middel van een degelijke en logische organisatie van het boek en vooral van het wetenschappelijk apparaat (voetnoten, literatuurlijsten, registers etc.). Hermans’ boeken ‘zitten als fijnzinnige uurwerkjes in elkaar’ zegt de biograaf.[4] Het is een variatie op Hermans’ mussen die niet van het dak mogen vallen zonder verder een betekenis in de tekst te hebben.[5] Maar dat geldt niet voor Otterspeers biografie. Dat is een in elkaar geflanste, haperende, walmende en rammelende machine. Want meer nog dan in een roman van Hermans geldt dat van die mus en het dak in een wetenschappelijke publicatie.

In het voorjaar van 2013 kreeg ik, als een van de bezorgers van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans, het manuscript van De mislukkingskunstenaar te lezen. Het verzoek van uitgeverij De Bezige Bij was om vijf weken later onze bevindingen te laten weten. Vijf weken voor 731 pagina’s typoscript was krap. De inschatting van onze leestijd door de uitgeverij maakte duidelijk dat ze daar dachten dat De mislukkingskunstenaar eigenlijk af was en dat wij nog even naar de punten en de komma’s zouden kijken. Maar al na een paar hoofdstukken wisten we dat De mislukkingskunstenaar verre van af was, en dat lieten we – met een lijst voorbeelden – aan De Bezige Bij weten. Daar schakelden ze meteen een freelancer in om aan de verbouwing te beginnen, en wij gingen door met lezen, corrigeren en adviseren.
        Onze kritische lezing van het manuscript leverde een enorme hoeveelheid kritiekpunten op, die weer leidden tot een boze biograaf, het uitstel van het verschijnen van het boek en gekrakeel vóór en na het uiteindelijke verschijnen ervan. Omdat Otterspeer in zijn aandeel in het gekrakeel dingen zei die niet met de feiten in overeenstemming waren, omdat hij ons, zoals als gemeld, meende te moeten uitschelden en ons ook, zoals ook al aangegeven, in verband bracht met onfrisse praktijken tijdens de Tweede Wereldoorlog, deden Peter Kegel en ik als projectleiders van de editie in een artikel op de website van de Volledige Werken de werkelijke gang van zaken tijdens de meelees- en de productiefase van De mislukkingskunstenaar uit te doeken.[6] We gaven een – terughoudend – overzicht van de aanzienlijke gebreken van het boek. Na een aantal uitgewerkte voorbeelden van de zowel ondeskundige als ook bewust slordige omgang met archiefmateriaal door de biograaf constateerden wij het volgende: ‘Otterspeer noemt zijn biografie […] een “met zorg geschreven boek”. Dat is niet zo. Wij constateerden […] nog vóór het verschijnen van De mislukkingskunstenaar dat het een boek is dat “voor latere generaties onbruikbaar” zal zijn. Want toekomstige onderzoekers zullen elk citaat in De mislukkingskunstenaar moeten controleren en elke bron opnieuw moeten bekijken, om vervolgens de conclusies van Otterspeer op grond van die citaten en bronnen tegen het licht te houden voordat De mislukkingskunstenaar met enig fatsoen kan worden geciteerd of als bron gebruikt.’
        Dat was de academisch geformuleerde, diplomatieke en ingehouden versie van onze mening over het boek. In mijn persoonlijke, maar wat mij betreft net zo academisch gefundeerde formulering zou ik bij de Mislukkingskunstenaar, en ook bij het vervolg De zanger van de wrok, liever spreken van broddelwerk. Op eigen titel probeerde ik de gebreken in deel 1 nog een keer te thematiseren in een bijdrage aan een feestbundel voor de gelauwerde Grotius-biograaf Henk Nellen. Ik toonde aan dat je door handig taalgebruik, suggestieve opmerkingen en het weglaten van informatie je lezers kunt wijsmaken wat je wil. Otterspeer suggereert in De mislukkingskunstenaar intieme contacten van Hermans met tekenares Fiep Westendorp, ik stelde daar, met gebruikmaking van dezelfde bronnen en dezelfde technieken als Otterspeer, een veel plausibelere liefdesrelatie tegenover: die tussen Hermans en Gerard van het Reve.[7]
        Het vreemde en ook frustrerende was, dat deze moeite bij het verschijnen in februari 2015 van De zanger van de wrok, deel 2 van de Hermans-biografie, tevergeefs bleek. Slechts enkele recensies gaven er blijk van iets opgestoken te hebben van onze – en andermans – lessen.[8] Alle reden om het nog eens te proberen. De Hermans-biografie van Willem Otterspeer is namelijk een waardeloos, onbruikbaar boek met een onafzienbare hoeveelheid gebreken. Het heeft dan ook geen enkel nut om je te houden aan wat Otterspeer de ‘normale omgangsvorm’ noemt, namelijk ten behoeve van een tweede druk een collegiaal lijstje met errata te sturen.[9] Zo’n lijst zou dikker worden dan de twee boeken samen: een bronvermelding bij een citaat weglaten is namelijk een fluitje van een cent, die bron aanvullen kost tijd en papier. Het is in deze biografie gemiddeld een paar keer per bladzijde aan de orde, en van die bladzijden zijn er 2000.
             
Ellende
De ellende begon in 1999. Op 23 april van dat jaar sprak Otterspeer op het achttiende symposium van de Werkgroep Biografie. Zijn toespraak werd gepubliceerd onder de titel ‘De wetenschap heeft geen behoefte aan de biografie’. De ondertitel: ‘Een biografie moet meer schrijver dan historicus willen zijn’. De kern van het verhaal, op het eind geformuleerd: de biograaf moet niet ‘rubriceren en analyseren, niet samenvatten en niet beschrijven, nee schrijven.’ De aanloop naar deze conclusie was geplaveid met onvriendelijke kwalificaties over het vak van de geschiedschrijving en zijn beoefenaars, zodat het stuk meer leek op de afscheidsrede van een teleurgestelde wetenschapper dan op een serieuze bijdrage aan een discussie. Het duurde niet lang voordat er een gedegen repliek kwam van Léon Hanssen, die de biografie als wetenschappelijke discipline verdedigde.[10]
        Niet alleen methodologisch wijst dit stuk van Otterspeer overigens op een opvallende manier vooruit naar de Hermans-biografie, maar ook vanwege de rare uitspraken die het bevat, op redactioneel en stilistisch niveau. Er staan drie Franse termen in het artikel, het al geciteerde ‘cabale de dévots’, ‘ancien régime’ en ‘au sérieux’, en alle drie missen ze de accenten die ik hier wel heb aangebracht. Naast het epaterende gebruik van het Frans staat het onvermogen om dat Frans correct te spellen, en dat spellende onvermogen bleek in het manuscript van deel 1 van de biografie op allerlei terreinen een monumentale omvang te hebben. Of, zoals Peter Kegel en ik al eerder schreven: ‘talloze namen van personen, straat- en plaatsnamen, boektitels en historische feiten waren onnauwkeurig weergegeven’.[11] Met veel bombarie werden allerlei lijstjes van door Hermans genoemd schrijvers genoemd alsof de biograaf wist om wie het ging, maar wel werden bijvoorbeeld voor- met achternamen verwisseld. De namen en titels die genoemd worden in wat nu noot 677 in deel 1 is moesten op een stuk of veertig plaatsen worden aangepast. En zo meer. In zijn toespraak uit 1999 staat, alsof het een citaat is en zo kennis van Duitse wetenschappelijke discussies suggererend, ‘Methode ist verbrechen, oder so etwas’, maar ik zou graag de bron van dit ‘citaat’ kennen. Hetzelfde geldt voor de volgens mij niet in Duitse wetenschappelijke discussies voorkomende term ‘Methodenlust’.
        Een curieus vervolg van dit soort dikdoenerij staat op p. 369 van deel 1 van de biografie. Daar heeft de biograaf het over een notitieboekje van Hermans uit de jaren 1941 en later. Volgens de biograaf bevat dat boekje veel notities over filosofie: ‘steeds weer de klassieken: Pascal, Descartes, maar ook het handboek van Windelband en Rickert over de geschiedenis van de filosofie’, beweert Otterspeer. Pascal en Descartes worden inderdaad door Hermans genoemd, maar Windelband en Rickert helemaal niet. Hermans kon zo’n boek ook niet noemen, want er bestaat helemaal geen handboek van de Duitse denkers Wilhelm Windelband en diens leerling Heinrich Rickert. Althans: ik heb het na een halve dag digitaal zoeken niet kunnen vinden, en dat had een fluitje van een cent moeten zijn voor een boek dat blijkbaar zo beroemd is dat een Amsterdamse student het in de jaren veertig op zijn nachtkastje had liggen. Otterspeer had mij gezoek en mij of zichzelf een blamage kunnen besparen wanneer hij had gedaan wat hier (en op honderden, honderden andere plaatsen in het boek) noodzakelijk was geweest: een bibliografische voetnoot maken. Het maken van een zo’n voetnoot is onderdeel van de academische plicht: je noemt je bronnen en je maakt je mededelingen controleerbaar – niet alleen voor anderen maar ook voor jezelf.

Terug naar 1999. Otterspeer nam geen afscheid van de Leidse universiteit, hij bleef en werd er – de bazen van de universiteit hadden het Biografie Bulletin waarschijnlijk niet gelezen – drie jaar later zelfs hoogleraar (nadat hij eerst een paar jaar bijzonder hoogleraar was geweest). En ook de mensen achter het Willem Frederik Hermans instituut, opgericht om voor de nalatenschap van Hermans en zijn werk te zorgen, wisten blijkbaar niet dat Otterspeer helemaal niet van plan was een wetenschappelijk gefundeerde biografie van Hermans te schrijven toen ze hem in datzelfde jaar 1999 de opdracht gaven precies dat te doen. Op 27 september 1999 werd tijdens de inauguratie van het Willem Frederik Hermans instituut in Museum Beelden aan Zee in Den Haag bekendgemaakt dat de Volledige Werken van Hermans zouden gaan verschijnen en ook dat Willem Otterspeer als biograaf was gekozen.[12] De biograaf zou in 2001, na een andere klus, met de research beginnen en het boek zou vervolgens in 2005 verschijnen.[13] Ruim daarna, in 2007/2008, liet Otterspeer een groot deel van het onderzoeksmateriaal van het team van de Volledige Werken kopiëren.[14] In november 2013 verscheen dan eindelijk, na een aantal Hermans- en andere tussendoortjes, deel 1, De mislukkingskunstenaar.[15] Deel 2, De zanger van de wrok, verscheen weer anderhalf jaar later, in februari 2015, en het is weer van begin tot eind mis met dit boek. Niemand heeft iets opgestoken van de ervaringen met deel 1. Ook deel 2 van de Hermans-biografie is van het begin tot het einde broddelwerk.
        Laten we eerst dat begin en dat einde eens beter bekijken.

Het begin
Op pagina 11, meteen na een van de weinige zo op het oog foutloze onderdelen van het boek, de inhoudsopgave namelijk, zet Otterspeer het thema van zijn boek neer, de wrok, en hij begint met een citaat uit de Ilias van Homerus. Dan deze zin: ‘Het Nederlands taalgebied alleen al kent tientallen vertalingen, van Glazemaker tot De Roy van Zuydewijn, van Coenraet Droste via Burgersdijk en Ten Kate naar Carel Vosmaer en W.E.J. Kuiper, van Albert Verwey naar de mooiste, die van Timmerman.’ En die laatste heeft Otterspeer een alinea eerder geciteerd (al is het dan zonder bronvermelding). Het grote probleem van dit lijstje: drie van de genoemden, L.E.J. Burgersdijk. J.J.L. ten Kate en Albert Verwey, hebben de Ilias helemaal nooit vertaald.[16] Weer die dikdoenerij die de argeloze lezer moet overtuigen van de eruditie van de professor, terwijl die professor niet eens de behoefte of het fatsoen heeft om iets te verifiëren wat er in zijn geheugen opborrelt.
        Dit begin van De zanger van de wrok heeft nog een ander probleem, het woord ‘wrok’ namelijk, in samenhang met het door Otterspeer aangehaalde boek Zorn und Zeit van Peter Sloterdijk.[17] Wat Otterspeer van Sloterdijk overneemt – behalve het hele idee: het Griekse woord ‘menis’ als begin van de ‘Europese overlevering’ (Sloterdijk) of de ‘Westerse literatuur’ (Otterspeer) – doet hij in een eigen vertaling van zinnen van de Duitse denker, terwijl er een Nederlandse vertaling van Hans Driessen bestaat: Woede en tijd.[18] Maar die vertaling kan Otterspeer niet gebruiken, want Driessen vertaalt ‘Zorn’ met ‘woede’ – en dat is omdat ‘Zorn’ in het Duits ‘woede’ betekent en nooit ‘wrok’. In Driessens vertaling staat het Homerus-citaat dan ook in de – moderne – vertaling van Herbert de Roy van Zuydewijn. Als ‘Zorn’ ook ‘wrok’ (en dus ‘wraak’) had kunnen betekenen, had Driessen dat wel als vertaling gebruikt, want dat was van pas gekomen zodra Sloterdijk het verderop in zijn boek over ‘wraak’ gaat hebben. Otterspeer doet het Duits en Sloterdijk geweld aan om een thema te construeren, waarop hij vervolgens duizend bladzijden doorgaat. Drijfzand dus.

Het einde
Het einde van deel 2 dan, en het einde van het leven van Hermans volgens Otterspeer: ‘In Utrecht werd hij met alle zorg en egards behandeld; men gaf hem een kamer, nummer 18 op afdeling b3, zonder naam van de patiënt op de deur. Er werd een nieuwe pyjama voor hem gekocht. Daar kreeg hij, op 27 april, de verlossende injectie. Alleen Emmy en Ruprecht waren daarbij aanwezig. Na het toedienen van de finale dosis, wendde hij zich op zijn zij, keerde zich af van zijn vrouw en zoon en stierf, eenzaam als alleen Willem Frederik Hermans eenzaam kon zijn.’[19] Deze sterfscène zou ontroerend kunnen zijn als we wisten dat ze waar was. Maar is ze dat? Waar zijn de bronnen voor de gegevens over kamer, afdeling en pyjama, en, vooral, die over het afwenden en sterven? Er waren – maar is dat wel waar? – volgens Otterspeer slechts twee mensen aanwezig, zoon Ruprecht en echtgenote Emmy, en omdat Ruprecht door Otterspeer is afgeschreven als nuttige bron voor de biografie, zou je de weduwe in een voetnoot verwachten, zoals dat al zo vaak in deze biografie het geval was. Maar zo’n bron is er niet. En als de weduwe en de zoon dit verhaal niet aan Otterspeer hebben verteld, kan de conclusie alleen zijn dat de biograaf een passend einde bij zijn biografie heeft verzonnen.[20]

Voor de rest
Over wat er tussen dat begin en het einde allemaal nog meer misgaat zijn hele lijsten aan te leggen. Ik zal dat vermijden en proberen enkele soorten problemen te benoemen, problemen die te maken hebben met Otterspeers omgang met bronnen en met de verantwoording daarvan. Want Otterspeer wil niet aan wetenschap doen, maar hij doet het intussen natuurlijk toch, niet alleen door zich door de uitgeverij primair als hoogleraar te laten presenteren, maar ook door middel van 2000 voetnoten en andere parafernalia van een wetenschappelijk werk. Maar met die parafernalia zijn vreemde dingen aan de hand.

        Bronneninflatie
Laten we eens beginnen met wat normalerwijze het overzicht moet zijn van wat in een publicatie aan secundaire literatuur geraadpleegd is. Zo’n lijst ontbrak ten onrechte in deel 1, maar in deel 2 staat er wel een, en die geldt ook voor het eerder verschenen deel 1. De lijst bevat 400 titels, maar is incompleet, zoals boven de lijst wordt uitgelegd: ‘Niet opgenomen worden de artikelen en recensies in kranten en weekbladen waarnaar in de noten verwezen wordt, noch de korte stukken in wfh-Verzamelkrant en wfh-Magazine.’ Er bestaat dus blijkbaar ook zoiets als secundaire secundaire literatuur, die we alleen met enige inspanning mogen vinden. Voor die secundaire secundaire literatuur was overigens best plaats geweest, als uit de lijst de titels waren weggelaten die verder niet in de voetnoten van de biografie voorkomen. En dat zijn er nogal wat, 150 van de 400 namelijk – meer dan een derde dus. Wat heeft Otterspeer gedaan om zijn literatuurlijst op te blazen? Hij heeft hele inhoudsopgaven van aan Hermans gewijde boeken en tijdschriften in zijn literatuurlijst opgenomen, ook al gebruikt hij maar een deel van die inhoud. Van de bundel Apollo in Brasserie Lipp (2001) bijvoorbeeld staan van de 22 bijdragen er 21 in de lijst met secundaire literatuur, waarvan er vervolgens maar zes gebruikt zijn; de enige niet gebruikte is de bijdrage van medewerkers van het Huygens ing.[21] Van de 12 bijdragen in de aan Hermans gewijde aflevering 275 van Tirade uit 1981 nam Otterspeer er 11 op in zijn literatuurlijst, hij noemt er drie in zijn voetnoten, maar een daarvan is vreemd genoeg de bijdrage die hij weglaat uit de lijst, en dat is een bijdrage van Raymond Benders.[22] Zou het toeval zijn dat de weggelaten bijdragen van personen zijn die kritiek op hem hebben geleverd?
        Het verweer van de biograaf zal wel zijn: ‘ik heb al die titels wel gelezen en ze opgenomen omdat ze belangrijk zijn voor het begrip van Hermans’, maar dan wil ik wel eens horen wat de betekenis voor Hermans’ werk is van het artikel ‘Hermans met een kuifje, heel uit de verte’ van Anton Hermus, terwijl de best wel particuliere titel van een boek van Arnold Heumakers letterlijk voorkomt (op p. 816 van De zanger van de wrok), maar als formulering van Otterspeer en niet als titel van een boek; de naam van Heumakers ontbreekt en een voetnoot over de schatplichtigheid ook.[23]

        Goede bronnen, slechte bronnen
Niet elke bron is een goede bron, en dat betekent dat je bronnen moet wegen. Otterspeer doet dat, als hij het al doet, niet alleen op inhoudelijke gronden, zoals we zojuist zagen. Als informatie afkomstig is van een van je critici (Raymond Benders, Hermans-magazine, Huygens ing), is ze minder waard dan die van een van je friendly witnesses. Dat kun je kenbaar maken door sommige personen, je meelezers van deel 2 bijvoorbeeld, te prijzen met zinnen als ‘zoals Wilbert Smulders goed gezien heeft’, ‘adequate omschrijving van Wilbert Smulders’, Ton Anbeek is ‘een van de beste interpreten van Hermans’ en schreef ook ‘[e]en van de beste vroege beschouwingen [over De heilige van de horlogerie]’.[24] Ook anderen verdienen het blijkbaar om geprezen te worden: Sonja Pos, bij de presentatie van wier boek Dorbeck is alles! Otterspeer sprak, deed een ‘briljante vondst’.[25] De Leidse promovendus (maar dat staat er niet bij) Max van Duijn wordt geloofd om zijn ‘scherpzinnige lectuur’; de voormalige Leidse hoogleraar en rector Lammert Leertouwer (maar dat staat er niet bij) mag als zoon van een Groningse deurwaarder zestig jaar oude jeugdherinneringen aandragen – met een citaat van vader deurwaarder dat hij blijkbaar al die jaren letterlijk heeft onthouden! – over een conflict van Hermans met zijn huisbaas in 1955.[26] Een Leidse achtergrond garandeert dus wel de kwaliteit van een goede bron, terwijl de zoon van Hermans, zoals we hierboven zagen, wordt afgeserveerd als bron over het leven van zijn vader.
        Wie bij Otterspeer niet in de gunst staat, moet maar zien dat zijn of haar bijdrage aan kennis over Hermans netjes gehonoreerd wordt. De Volledige Werken bijvoorbeeld, bezorgd op het Huygens ing, bevatten, of Otterspeer dat nou leuk vindt of niet, waardevolle informatie over het ontstaan en de ontvangst van het werk van Hermans. Het ligt dan ook voor de hand om de al verschenen delen als bron te gebruiken – en dat doet Otterspeer ook meestal. Alleen komen de credits voor dat gebruik in veel gevallen wel rijkelijk laat: als het hoofdstuk al bladzijden lang aan de gang is en er al vele informatie uit de Volledige Werken gepasseerd is. Geprezen worden de Volledige Werken uiteraard nergens in deel ii van de biografie, en de makers ervan mogen niet worden genoemd, ook niet als ze bijvoorbeeld een relevant artikel hebben geschreven over Hermans’ bemoeienis met een film.[27] Een uitzondering wordt gemaakt voor ondergetekende. In een van zijn ‘Intermezzo’s’, gewijd aan Hermans’ fascinatie voor auto’s (p. 201-212) maakt Otterspeer duidelijk gebruik van een artikel van mijn hand over Hermans en zijn auto’s.[28] Maar opnieuw komt de erkenning voor dat gebruik – of wat daarvoor moet doorgaan – rijkelijk laat en op een wat vreemde plek, namelijk na deze zin: ‘Dat is wat Hermans in de auto zocht en bijna vond: seks en dood, werveling en willekeur, het vullen van de diepe bronnen van het absurdisme.’ Het gekke is dat in mijn artikel helemaal niet wordt gesproken over seks en dood etc., maar over automerken, kentekens, chassisnummers et cetera, net als in Otterspeers hoofdstuk, maar voor dat soort dingen zou Otterspeer geen belangstelling hebben gehad als ik het niet allemaal al had uitgezocht. In zijn Canada-boek dacht hij namelijk nog, het woord ‘coach’ in een brief verkeerd ontcijferend, dat Hermans in Toronto in 1948 een Pontiac ‘couch’ had aangeschaft.[29]
        De zin die ik zojuist citeerde is er overigens een van de honderden van dit soort, die door de hele biografie heen voorkomen. Ze drijven dat wat voorafgaat op de spits zonder per se iets te verhelderen (want wat betekent ‘het vullen van de diepe bronnen van het absurdisme’?), ze suggereren door de herhaling van steeds dezelfde woorden (in deel 2 alles wat met woede, wraak en wrok te maken heeft) een samenhang en suggereren ook, zoals in het geval hierboven, een bevestiging door anderen van het beeld dat moet worden opgeroepen. Een voorbeeld: op p. 264 van De zanger van de wrok gaat het over de voorgeschiedenis van Hermans’ Nooit meer slapen (1966) en over een geografencongres in Zweden in 1960: ‘Wat lag er meer voor de hand dan dat hij er zelf ook heen zou gaan? Dat was ook de bedoeling, maar zodra Hermans hoorde dat er een wetenschappelijke bijdrage van hem werd verwacht, zag hij af van deelname.’ Bij deze zin staat een voetnoot met een algemene verwijzing naar een hoofdstuk in een boek van Arno van der Valk, maar daar staat de suggestie van de laatste zin niet in, wel citaten uit een brief waarin Hermans afziet van het congres omdat het hem ‘duidelijk [was] dat mijn bezigheden mij niet veroorloven de Redactie [van het Tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap] een bijdrage te doen toekomen, voorlopig.’[30]
        De meest geciteerde persoon in de biografie is natuurlijk Hermans zelf, en daarom is hij ook het grootste slachtoffer van dit soort creatieve gebruik van bronnen. In mijn vorige artikelen staan eigenlijk al genoeg voorbeelden, en dus geef ik er nog een om het af te leren: op p. 638 van De zanger van de wrok staat over Hermans, die bij regisseur Fons Rademakers thuis de televisie-uitzending van zijn toneelstuk Periander is gaan bekijken: ‘Hij was ook diep bezorgd over de uitzending, dronk daardoor te veel en zag het stuk, ten huize van Rademakers, in een waas van alcohol.’ De bron is een brief van Hermans, maar daar staat in dat hij de uitzending bekeek ‘met een buik vol alcoholica en smakelijke spijs’ – en dat is een stuk neutraler en legt geen oorzakelijk verband tussen bezorgdheid en drankgebruik. Het is eerder aan te nemen dat Rademakers en Hermans de gewoonte hadden samen goed te eten en te drinken.
        Er worden op een vrij massieve manier credits aan Hermans onthouden in Otterspeers biografie, en wel als het gaat om de dossiers die Hermans zijn hele leven lang aanlegde over voor hem belangrijke onderwerpen. Er zijn er daarvan zo’n stuk of 70 in het archief bewaard. In die dossiers bewaarde Hermans allerlei materiaal – brieven, knipsels, hele tijdschriften, drukproeven etc. – over bepaalde thema’s en bij een groot aantal eigen publicaties, en dat betekent dat de biograaf (en de bezorger van de Volledige Werken) in zulke gevallen een prachtige basis heeft, waardoor hem veel zoekwerk bespaard blijft. Als je van zo’n dossier gebruik maakt, moet je dat ook vermelden. Van de 70 dossiers in het archief-Hermans noemt Otterspeer er precies vier, maar hij gebruikt er veel meer (Weinreb, Wittgenstein, Canada, Mandarijnen, auto’s e.v.a.). Vreemd genoeg – maar wat is intussen vreemd bij Otterspeer – noemt hij er ook twee die niet bestaan.[31]

        Fouten in de citaten
Een volgend groot problemencomplex is de foutenmarge in de citaten. In het manuscript van deel 1 stonden – en dat is nauwelijks een overdrijving – niet veel correcte citaten. Daar is toen door een freelance redacteur maandenlang iets aan gedaan. Het is niet alleen altijd belangrijk dat citaten kloppen, het is nog extra belangrijk omdat meer dan de helft (!) van deze biografie uit citaten bestaat, de parafrases niet meegerekend.[32] Dat ook aan deel 2 van de biografie naar verluidt enkele freelancers een paar maanden hebben zitten knutselen wil niet zeggen dat het moeilijk is fouten in citaten te vinden, zoals regelmatige steekproeven laten zien.[33] En dat is niet het enige probleem bij het citeren, vooral van brieven. Het is wel een van de weinige dingen die in de biografie verantwoord worden: ‘Archaïsche spelling in de correspondentie is gemoderniseerd waar dit de leesbaarheid ten goede komt’ staat op p. 860 van deel 1 en op p. 1146 van deel 2. Het probleem is: er komt geen archaïsche spelling voor in de correspondentie van Hermans (want ‘archaïsch’ is volgens Van Dale ‘behorend tot of betrekking hebbend op een zeer oud tijdperk’), maar toch wordt er op grote schaal gemoderniseerd en gecorrigeerd wanneer ook maar iets afwijkt van de huidige redactionele normen, zonder dat de leesbaarheid, durf ik te beweren, ook maar één keer in het geding is. De in oude spelling geschreven teksten van Hermans in zijn schoolkrant van vóór de Tweede Wereldoorlog worden zelfs herspeld![34] (Er komt overigens één archaïsch woord voor in de Hermans-biografie: op pagina 95 van deel 1 gebruikt Otterspeer de term ‘doorluchtigh gymnasium’, en wie hier onraad ruikt, zoals ik, krijgt gelijk als hij die term googelt: je krijgt dan drie hits: een via www.dbnl.nl, en wel uit Otterspeers universiteitsgeschiedenis Groepsportret met Dame[35] en twee via books.google.nl: een van de hits citeert uit Groepsportret met Dame, de andere geeft de zin uit De zanger van de wrok.)

        Verzonnen citaten
Ging het zojuist nog om een eerder hilarisch zelfcitaat zonder bronvermelding van een volgens een zelf bepaalde overbodige redactionele regel ten onrechte niet gecorrigeerd zelfverzonnen, quasi-historisch citaat, er zijn bij Otterspeer ook kwalijkere varianten hiervan te vinden. Het citaat in de titel van dit artikel bijvoorbeeld staat op p. 175 van deel 1 van de biografie, De mislukkingskunstenaar. De formulering ‘Het staat er echt’ is misleidend, want het citaat dat aan die woorden voorafgaat is niet, zoals we mogen veronderstellen, een tekst van Hermans. De passage in de biografie gaat over een artikel van Hermans in de schoolkrant Suum Cuique van het Barlaeusgymnasium over het in het interbellum populaire boek Der Untergang des Abendlandes van de conservatieve Duitse denker Oswald Spengler. Het zogenaamde Hermans-citaat wordt ingeleid met deze zinnen: ‘Hij [Spengler] voorspelde dat de Europese beschaving in haar laatste stadium was aangeland en het beste vergeleken kon worden met die van Rome in zijn laatste dagen. De middelbare scholier [Hermans] vond deze analogie “frappant juist”. De politiek, de kunst, het denken: alles was in verval. “Alles is haast oppervlakkig en zelfs van de hoogste geestelijke waarden tracht men een soort massaproduct te maken.”’ Wie het origineel van het artikel erbij haalt kan ten eerste constateren dat Otterspeers weergave van wat de middelbare scholier ‘frappant juist’ vond niet klopt, en ten tweede dat het citaat dat de inleiding afsluit (van ‘Alles’ tot ‘maken’) correct is. Maar dan komt, gevolgd door de woorden ‘Het staat er echt’, dit: ‘Men praat van oude soberheid, oude flinkheid en klettert met de wapens. Maar de godsdienst is verworden tot bijgelovigheid, de vooruitgang is verkeerd in zijn tegendeel, de techniek maakt ons niet vrij maar hebzuchtig. Alles lijkt omgekeerd: de knechten werden heren, de vrouw begon de man opzij te streven, zonen gehoorzaamden hun vaders niet meer.’ Wie het origineel er andermaal bijhaalt moet constateren dat deze zinnen nergens bij Hermans staan. Het is zo te zien een samenvatting door Otterspeer voor eigen gebruik van een aantal passages uit het artikel van Hermans. ‘Het staat er echt’ betekent in dit geval: in Otterspeers aantekeningen, en het hele punt dat Otterspeer over Hermans wil maken is dus geen stuiver meer waard.
        Het is niet de enige keer dat Otterspeer in de Hermans-biografie zijn eigen tekst uitgeeft voor die van Hermans. Ook in De mislukkingskunstenaar, p. 661-662, gaat het mis, als het huwelijk van Hermans met Emmy Meurs aan de orde is: ‘Het huwelijk vond plaats op 4 juli 1950. Getuigen waren Hans Meurs en Rudie van Lier. Het was een sobere aangelegenheid waarvan Hermans de regie geheel in eigen hand hield. Zijn agenda over die dagen is kort van stof maar rijk aan informatie: “woensdag 3 juli, kapper, spaarbank, L’Europe opbellen, sokken, das, stelletje ondergoed, Orchidee, bloemen bestellen, schoenen, fiets halen, briefkaart, adreswijziging; dinsdag 4, trouwen, eten in L’Europe; woensdag 5, Artis, daarna bij Italiaan eten; donderdag 6, Zandvoort, brood mee, thuis eten.”’ In feite is dit geen citaat van een doorlopende tekst uit de agenda van Hermans, maar een door Otterspeer achter elkaar gezette onvolledige en inaccurate opsomming van aantekeningen die in de betreffende agenda van maandag (dus niet woensdag) 3 tot zaterdag 8 juli staan. Niet alleen duurt de viering van het huwelijk met allerlei uitstapjes twee dagen langer dan Otterspeer suggereert, ook laat hij zonder dat aan te geven onderdelen van de opsomming weg en houdt hij geen rekening met het al of niet doorgestreept zijn van bepaalde onderdelen. Het woord ‘kapper’ bijvoorbeeld is bij Hermans doorgestreept, ‘stelletje ondergoed’ niet. Betekent dat dat Hermans naar de kapper is geweest of dat hij het toch niet nodig vond om te gaan? Betekent het feit dat hij het ondergoed niet heeft doorgestreept dat hij dit punt van zijn actielijstje vergeten is af te handelen? Het lijkt er niet op – en dat is regelmatig het geval – dat Otterspeer beseft dat dit soort dingen van belang kan zijn.

        Bronloos overschrijven
Je eigen tekst uitgeven voor die van Hermans is één ding, die van anderen uitgeven voor eigen fabricaat is een ander. Ook dat komt in Otterspeers Hermans-biografie voor. Bijvoorbeeld op p. 414-415 van De zanger van de wrok. Daar staat, wanneer het gaat over Hermans’ verhuizing naar villa Lindenhof in Haren, dit: ‘Eindelijk woonde Hermans op de manier waarop hij wilde wonen, in een villa. Het huis was gebouwd in 1931, in opdracht van de fabrieksdirecteur H.E. Oving, onder architectuur van J. Kuiler en L. Drewes en in een stijl verwant aan de Amsterdamse School en de Gooise landhuisstijl. Het huis ligt op de hoek van de Julianalaan en de Weg voor de Jagerskampen, is omringd door een ruime tuin. Het is, inclusief de aangebouwde garage, grotendeels opgetrokken uit gele baksteen en gedekt met een rieten kap. Boven de hoofdentree staat in metalen letters de naam van de villa. Op het zuidoosten opent het huis via dubbele terrasdeuren op de tuin. Daar is ook een mooie twee verdiepingen hoge loggia.’
        Het lijkt alsof Otterspeer de villa heeft bezocht, maar dat is niet zo. Wat hij wel bezocht was de website www.rijksmonumenten.nl, waar in een tekst van ruim 500 woorden onder andere dit staat (en het vet is van mij): ‘villa met aangebouwde garage en hek, gebouwd in 1931 in opdracht van de heer H.E. Oving, fabrieksdirecteur, onder architectuur van J. Kuiler en L. Drewes. Het riante pand dat is opgetrokken in een stijl verwant aan de Amsterdamse School en de Gooise Landhuisstijl, werd in 1974 uitgebreid met een fietsenstalling. […] Het huis is opvallend gelegen op de hoek van de Julianalaan en de Weg voor de Jagerskampen in de als gebied met bijzondere waarden aangewezen "Villabuurt". Het wordt omringd door een ruime, deels gewijzigde tuin in decoratieve tuinstijl met veel borders, grasperken en rotspartijen. […] villa met aangebouwde garage grotendeels opgetrokken in een gele baksteen in kettingverband […]. De samengestelde rieten kap is deels glooiend met rode rietvorsten [….]. De hoofdentree bevindt zich aan de noordzijde […]; boven de deur de naam van het pand in metalen letters […] De zijgevel (zuidoost) die wordt doorsneden door een hoge, van de begane grond opgemetselde schoorsteen, heeft een groot venster, een liggend glas-in-lood venster met ovaal met afbeelding van een fabrieksgebouw, en dubbele terrasdeuren die op een deels ommuurd, met leisteen afgedekt terras uitkomen; op de verdieping twee tweeruits vensters. In de achtergevel (zuidwest) een twee bouwlagen hoge loggia […].’[36]
        Deze overschrijverij was wellicht nog een beetje pruimbaar geweest als er bij deze passage een bron had gestaan zoals ik die zojuist heb gemaakt, maar dat is niet zo, en daarmee zijn we bij een van de grootste problemen van deze Hermans-biografie aangeland.

        Ontbrekende bronverwijzingen
Het grootste en al vaker gesignaleerde probleem is het voortdurende, systematische en structurele ontbreken van bronverwijzingen. Vanwege de totale hoeveelheid voetnoten in de twee boeken, 3263 namelijk, zou de lezer kunnen aannemen – en dat zal ook wel de bedoeling zijn – dat alle mededelingen wel zo’n beetje gedekt zijn, maar dat is niet het geval. Op bijna elke gecontroleerde bladzijde van deel 2 heb ik wel een paar keer ‘bron’ of iets dergelijks genoteerd wanneer weer eens de verantwoording van een citaat, een bewering of een publicatie ontbreekt. Bij elk citaat hoort gewoon een bron, daar is niet mee te marchanderen, en bij elke bewering die gebaseerd is op andermans onderzoek of op mededelingen van derden ook. Niet alleen de sterfscène hierboven moet het zonder bronnen doen, in deel 1 kregen we ook al een heel hoofdstuk over de afkomst van Hermans voorgeschoteld, met allerlei genealogische informatie, maar zonder één enkele voetnoot over de herkomst van die informatie. Zelfs de mededeling op p. 35 van deel 1 dat Hermans ‘om elf uur ’s morgens’ werd geboren wordt niet gedekt door de voetnoot die suggereert dat ze die informatie bevat. In deel 2, p. 101, beweert Otterspeer over Hermans’ werk aan zijn proefschrift: ‘Hermans moest zelf natuurlijk ook het nodige doen: de preparaten vervaardigen, ze determineren en kwantificeren. Dat deed hij slordig,’ maar een voetnoot met een bron ontbreekt. (Een meevaller is dan weer dat het lijkt alsof de biograaf het over zichzelf heeft.) We lezen een biografische schets over Rudy Kousbroek – zonder voetnoot. Et cetera, honderden en honderden keren. Er is geen enkele garantie dat alles wat voetnootloos beweerd wordt niet verzonnen is. Als dat betekent dat er nog een keer 3263 noten bij moeten, moet je dat voor lief nemen – of een andere manier van annoteren of verantwoorden bedenken.

        De lezer in de kou
Een heel groot problematisch complex in de Hermans-biografie wordt gevormd door de momenten waarop Otterspeer de lezer in kou laat staan. Dat doet hij niet alleen door de manier waarop hij met zijn bronnen omgaat en ze (niet) verantwoordt, maar ook op allerlei andere manieren. Otterspeer etaleert zijn grenzeloos lijkende, al dan niet gefundeerde kennis graag, en hij vindt ook dat zijn lezers die grenzeloze kennis moeten hebben en dat hij dus niets hoeft uit te leggen: historische gebeurtenissen blijven zonder nadere toelichting, personen, al zijn ze nog zo obscuur, moeten het met alleen hun achternaam doen, er wordt met een vette knipoog met termen of (quasi-)citaten in allerlei talen gestrooid, vaak zonder dat het verband met de omgeving duidelijk is, enzovoort. Wat moet een gemiddelde lezer bijvoorbeeld me deze alinea uit De mislukkingskunstenaar (p. 27), waar het gaat over de situatie in Brussel eind juli 1945, wanneer Hermans daar verblijft: ‘Het waren de dagen dat België van de gruwelijkheden van Dachau vernam en zich afvroeg wat er te Potsdam bedisseld werd. Laval werd gearresteerd, het proces tegen Pétain werd breed uitgemeten in de kranten. Hij moet, evenals Quisling, staande gehouden hebben: ‘Je ne sais rien, je ne me souviens rien.’ Heeft die gemiddelde lezer niet het recht om te vragen: waarom Dachau, wat was er in Potsdam, was Laval niet al in mei 1945 gearresteerd, heeft Pétain niet gezwegen tijdens zijn proces, en heeft Quisling (wie was dat eigenlijk?) nou datzelfde gezegd als – eventueel – Pétain en waarom kan ik dat citaat niet op het internet vinden? We maakten Otterspeer in ons commentaar op deel 1 op deze passage attent, maar er werd geen jota aan veranderd – behalve dat Lavalle in Laval moest worden gecorrigeerd en Petain in Pétain.
        Je zou denken dat een lezer die wordt verondersteld de hele wereldgeschiedenis en wat daar verder bij komt kijken paraat te hebben ook het werk van Hermans wel van binnen en buiten kent, maar dat denkt Otterspeer weer niet, want we krijgen eindeloze samenvattingen van de boeken van de schrijver. Van de andere kant moet de lezer wel weer Otterspeers biografie vanbuiten kennen, want voortdurend lezen we zinnen als: ‘zoals we zagen’, ‘we hoorden[!] al’ etc., zonder dat er vervolgens een verwijzing in een voetnoot komt waar we precies zagen of hoorden. Die loze terugverwijzingen gaan soms over honderden bladzijden. De langste kloof die ik heb gevonden is 1642 pagina’s, zonder enige zoekhulp, en gaat dus, zoals wel vaker, van deel 2 naar deel 1.[37] De twee delen worden dus blijkbaar als één boek gezien, en dat kan natuurlijk, maar dan moet je het ook consequent doen, zoals het doornummeren van de pagina’s. We zagen al dat de literatuurlijst alleen in deel 2 staat, maar een register is er in beide delen. In beide delen staat ook een lijstje met initialen van correspondenten die in de voetnoten vaker voorkomen, maar in beide delen zijn die lijstjes gedeeltelijk verschillend. In deel 1 bijvoorbeeld horen de initialen fb bij Ferdinand Bordewijk, in deel 2 bij Frida Balk. Nog vreemder is dat sommige van deze initialenaanduidingen overbodig zijn, omdat de correspondenten maar één of twee keer voorkomen of alleen maar een aantal keren in achtereenvolgende voetnoten. Overbodig werk, dat wetenschappelijkheid moet suggereren maar van ondeskundigheid getuigt. Net zoals een permanente en gedoseerde redundantie in een omvangrijke tekst nodig is om de lezer bij de zaak te houden, is het apparaat van een (populair-)wetenschappelijk werk een essentieel instrument voor de lezer om vat te krijgen op het materiaal. Schrijver en uitgeverij hebben daar nauwelijks oog voor gehad.

        Feiten
De meest voor de hand liggende zaken bij het schrijven van een boek zijn voor Otterspeer, dat zal intussen duidelijk zijn, een brug te ver: correct citeren, een bronvermelding maken, een goede bronvermelding maken, het werk van anderen fatsoenlijk vermelden, verbanden leggen, uitleggen, de aandacht van de lezer bij de zaak houden, een goede en eerlijke literatuurlijst maken. Voor de Hermans-biograaf is het voldoende als hij inzicht in het werk en het leven van de schrijver suggereert door wetenschappelijkheid en kennis voor te wenden. Zijn energie heeft hij vooral gestoken in het overeind houden van een particuliere – en wat mij betreft geforceerde en ongenuanceerde visie – visie op persoon en schrijverschap. Ook zijn geleerde meelezers en zijn ‘ideale sparringpartner’ bij de uitgeverij waren niet in staat hem te wijzen op de overduidelijke gebreken, en zelfs niet op de meest elementaire fouten en foutjes in de feitelijkheden die wel op elke bladzijde voorkomen.[38] Zal ik er, om af te sluiten, toch maar een paar uit De zanger van de wrok noemen, willekeurig geplukt uit mijn aantekeningen?
        - p. 30: Hermans recenseerde niet ‘voornamelijk’ voor Het Vrije Volk, want slechts 15 van zijn bijna 40 stukken voor dat dagblad zijn recensies. (En het was misschien interessant geweest te vermelden dat Het Vrije Volk een sociaaldemocratische krant was.)
        - p. 36: Hermans wil na zijn promotie in 1955 naar Italië om de Vesuvius te beklimmen, maar op p. 121 e.v. beklimt hij de Etna. Hoe zit dat?
        - p. 142: Over De God Denkbaar Denkbaar de God: ‘In het boek zitten twee hoofdstukken met dezelfde titel, “Geheim”. Ze zijn de autobiografie van Kassaar, de supergeheime agent. Ze eindigen midden in een zin, die aansluit bij de beginzin.’ Maar de beginzin van wat? Niet die van De God Denkbaar Denkbaar de God. (Het antwoord is: van Het evangelie van O. Dapper Dapper, maar als de lezer dat al verondersteld wordt te weten, hoef je dat van die ‘Geheim’-hoofdstukken ook niet uit te leggen.)
        - p. 159: ‘Eind 1957 verschenen kort na elkaar twee bundels van Hermans: Drie melodrama’s in september, Een landingspoging op Newfoundland en andere verhalen in november.’ Maar Drie melodrama’s verscheen midden juni 1957, en dat verklaart ook waarom de op p. 166 genoemde recensies van het boek al vanaf juli verschenen. (Na de geciteerde zin schrijft Otterspeer: ‘Beide waren experimenten, geen van beide geslaagd in de ogen van de schrijver.’ Bronnen met uitspraken van Hermans hierover ontbreken, en ze zullen ook moeilijk te vinden zijn.)
        - p. 255: Volgens Otterspeer vond Hermans voor zijn populairwetenschappelijke verhandeling Erosie (1960) bij uitgeverij Heijnis in Zaandijk een ‘curieus onderkomen’. Maar in feite was Heijnis een drukkerij en uitgeverij met een lange traditie (in 1821 opgericht), en Klaas Woudt (eigenaar tot 1973) probeerde eind jaren vijftig een literair fonds op te zetten met uitgaven van auteurs als Marnix Gijsen, Harry Mulisch, Gerrit Kouwenaar, C. Buddingh’, Jan Wolkers, C.B. Vaandrager e.v.a., ook drukte en publiceerde hij het avant-gardetijdschrift Gard Sivik.[39]
        - p. 299: In 1963 publiceerde Hermans het artikel ‘Een fotograferend schrijver’ in het kerstnummer van het vakblad Drukkersweekblad en Autolijn. Volgens de bijbehorende voetnoot was Carel Blazer de uitgever van dit blad. Maar in feite was Blazer fotograaf en de gastredacteur van het kerstnummer. Het was interessanter geweest om te vertellen dat Hermans in 1979 een voorwoord schreef voor een boek met foto’s van Blazer.[40]
        - p. 320: Volgens Otterspeer reisde Hermans in de tweede helft van de jaren zestig zo veel ‘dat hij vaker weg was dan thuis’. In feite was Hermans, volgens zijn agenda’s, in 1967 ongeveer honderd dagen weg, in 1968 vijftig.
        - p. 347-348: ‘Het sadistische universum was het eerste boek dat Hermans na zijn breuk met Van Oorschot bij De Bezige Bij publiceerde.’ In feite waren er al twee jaar eerder, in 1962, twee verschenen: Drie drama’s en De woeste wandeling. Een scenario. Otterspeer had dat kunnen weten: het stond al op p. 223 van zijn eigen boek.
        - p. 356-357: hier is sprake van Hermans’ essay ‘Kan de tijd tekens geven?’ Waarom blijft hier de aandacht voor wat in De mislukkingskunstenaar, p. 97, nog Hermans’ ‘befaamde essay’ genoemd wordt, beperkt tot de weergave van een verslag van de lezing die Hermans van dit essay gaf?
        - p. 505: Over het toneelstuk ‘De psychologische test’ schrijft in een bijbehorende voetnoot: ‘Het stuk werd driemaal gepubliceerd: in Podium15 (1960) 1-2, Gard Sivik 4 (1960) 5-6 en Drie drama’s. Amsterdam 1981, p. 83-174.’ In feite verscheen het tweemaal. Bij de afleveringen van Podium en Gard Sivik ging het namelijk om een gecombineerde uitgave, waarbij beide tijdschriften hun eigen nummering behielden. Drie drama’s verscheen, zie hiervoor, niet in 1981 maar in 1962, in 1981 verscheen de vierde druk. Soms ontstaat de indruk dat Otterspeer sommige publicaties van Hermans helemaal niet in handen heeft gehad, bijvoorbeeld wanneer hij, op p. 453, de bibliofiele, in linnen gebonden uitgave De zeven hoofdzonden van uitgeverij Thomas Rap uit 1970 een ‘boekje’ noemt en bovendien in zijn bibliografische voetnoot niet alleen het pseudoniem waaronder Hermans aan de bundel bijdroeg ernstig inkort en ook Remco Campert voor een van de samenstellers houdt in plaats van een de zeven auteurs.[41] Uitgaven van uitgeverij Ziggurat van Hermans’ vriend Freddy De Vree noemt Otterspeer op p. 734 ‘bibliofiele boekjes’, terwijl het boekprojecten waren. Daarentegen wordt Het hoedenparadijs. 40 collages van Willem Frederik Hermans uit 1991 een ‘luxe uitgave’ genoemd, terwijl het een eenvoudige paperback was (p. 839).
        - p. 799: het is de genitief, niet het genitief.
        - p. 850: hoe kan Cornelis van Vollenhoven, die in 1933 overleed, iets opsommen in een brochure die in 1935 verscheen?
        - p. 993: waarom wordt dezelfde tekst in noot 125 geciteerd naar een uitgave van Mandarijnen uit zwavelzuur uit 1985 en in noot 145 naar een uitgave van hetzelfde boek uit 1963 (die overigens in de Hermans-wetenschap met het werkelijke verschijningsjaar wordt vermeld: 1964).

*

Er zou nog veel meer te vertellen zijn. De Hermans-biografie van Willem Otterspeer is, zo bedacht ik al tijdens het lezen van deel 1, heel goed als collegestof te gebruiken. Het zou prachtig materiaal zijn, niet voor studenten die willen leren hoe je een biografie van een literaire auteur schrijft, maar voor hen die willen weten hoe je omgaat met historische bronnen – en vooral hoe je het niet moet doen. Het probleem is alleen: ik geef geen college. Ik heb alleen met grote regelmaat stagelopende studenten gehad, en die kregen al jaren zaken te horen die ik hierboven aan de orde stelde. Otterspeer zou baat hebben gehad bij een stage op het Huygens ing om wat elementaire zaken onder de knie te krijgen. Hij zou dan, als hij bijvoorbeeld onduidelijk zou formuleren bij een bewering of in een voetnoot, in de marge mijn opmerking ‘of niet’ vinden. Wat ik vervolgens bij de bespreking van die teksten aan stagiairs uitlegde is dat ik daarmee bedoel: onduidelijk geformuleerd, want het tegendeel is op grond van de argumentatie en de aangevoerde bronnen ook mogelijk. Ik had zo’n ‘of niet’-opmerking ook een paar keer gemaakt in de marge van Otterspeers manuscript van De mislukkingskunstenaar. De biograaf viel daarover: ‘Een van de mensen van het Huygens Instituut meende, elke keer als hij het woordje “wellicht” tegenkwam, in de kantlijn te moeten zetten: “wellicht ook niet”. Tja.’[42] Mijn stagiairs begrepen meteen wat ik bedoelde en deden voortaan hun best om die opmerking in de marge niet meer te provoceren, omdat ze, in tegenstelling tot Otterspeer, beseften dat die ‘of niet’-vraag een wezenlijke wetenschappelijke vraag is en niet een pesterijtje van een meelezer. Kritiek, scepsis en falsificatie zijn essentiële voorwaarden voor elke vorm van wetenschap. En, nog maar een keer: de ethiek van het bedrijven van wetenschap schrijft voor dat je respect hebt voor je onderwerp, je onderzoeksmateriaal en je collega’s.[43] Otterspeer schiet op al deze punten te kort.

Al fout, eind goed
Op pagina 924 van De zanger van de wrok citeert Otterspeer, zonder auteur en toneelstuk te noemen, uit Faust. Eine Tragödie van Johann Wolfgang von Goethe: ‘En hier steckt des Pudels Kern.Opnieuw is het een citaat uit het hoofd, want bij Goethe staat: ‘Das also war des Pudels Kern!’[44] Al eerder, op pagina 700, stond – ook al zonder auteursvermelding – een citaat uit Faust, althans, daar lijkt het op: ‘“Waar je ’t pakt, daar is het modder,” zei Faust.’ Maar wat de biograaf (in verband met de Weinreb-affaire) uit het vermaarde toneelstuk lijkt te halen staat bij Goethe – overigens door Mefistofeles gezegd en niet door Faust – zo: ‘Wo man sie anfaßt, morsch in allen Gliedern’, of, in de recente vertaling van Ard Posthuma en in zijn verband geplaatst: ‘Je weet: ’t is alles nep van a tot z, / zo’n laag make-up en een te strak korset. / Nooit zit er iets gezonds en sappigs bij. / Wat je maar beetpakt, altijd lauwe brij. / Je weet het, ziet het, kunt het grijpen, / en toch (de loeders!) danst men als ze pijpen.’[45] Otterspeer gebruikt deze of een andere vertaling niet, en daar had hij, als hij het stuk werkelijk had gelezen, ook weinig aan gehad, want de tekst gaat heel ergens anders over – over lamiën (fabelwezens) die Mefistofeles lastig vallen – en was voor zijn doel onbruikbaar geweest. De biograaf haalt zijn versie uit zijn onafzienbare voorraad quasi-parate kennis die we intussen kennen. Maar toch: af en toe kan zo’n verzonnen citaat een waarheid bevatten. ‘Waar je ’t pakt, daar is het modder’ – er zijn slechtere samenvattingen te bedenken voor deze Hermans-biografie.
        En daar wil ik het nu maar bij laten. ‘[I]k kan niet aan de gang blijven. Ik heb meer te doen.’[46]

Voetnoten
[1] Willem Otterspeer, De zanger van de wrok. Willem Frederik Hermans. Biografie, deel II (1953-1995). De Bezige Bij, Amsterdam/Antwerpen 2015, p. 700.
[2] Citaten uit Willem Otterspeer, Hermans in hout. De Canadese avonturen van Willem Frederik Hermans. De Bezige Bij, Amsterdam 2010, p. 217; id., ‘Kritiek Max Pam bestaat uit één deel rancune en twee delen roddel’. In: de Volkskrant, 20 november 2013, een reactie op Max Pam, ‘Grote W.F. Hermans-biografie: wonderkind of een total loss?’, ibid.; id. in het interview Toef Jaeger, ‘Terroristen belagen mij’ in NRC Handelsblad, 27 februari 2015, id., De zanger van de wrok, p. 508 en 725; id., ‘De wetenschap heeft geen behoefte aan de biografie. Een biograaf moet meer schrijver dan historicus willen zijn’. In: Biografie Bulletin, 9 (1999), afl. 2, p. 122-129, citaat p. 122; id. in een mail aan mij uit 2009, nadat ik hem had gewezen op de schrikbarende hoeveelheid feitelijke fouten en andere onvolkomenheden – vergelijkbaar met die in de biografie – in id. (ed.), Machines en emoties. Willem Frederik Hermans, Rudy Kousbroek, Ethel Portnoy. Een briefwisseling. Amsterdam 2009; de term ‘foutengestapo’ is van mij, maar iets dergelijke wordt gesuggereerd door de plaatsing van een foto door Ed van der Elsken van Hermans in Wehrmacht-uniform naast het tegen de bezorgers van de Hermans’ Volledige Werken gerichte artikel Willem Otterspeer, ‘Fout(jes) in vredestijd’ in De Gids, 2014, afl. 1, p. 26-27 (de foto ontbreekt in de online-versie: https://de-gids.nl/2014/no1/fout-jes-in-vredestijd).
[3] Jan Gielkens, Peter Kegel, ‘Een “met zorg geschreven boek”? Over De mislukkingskunstenaar van Willem Otterspeer’, op 13 maart 2014 gepubliceerd op: http://www.wfhermansvolledigewerken.nl/?p=1576; Jan Gielkens, ‘De geheime relatie van Willem Frederik Hermans en Gerard van hetReve. Over vertrouwelijkheid en het gebruik van historische bronnen’. In: Jos Gabriëls [et al.] (red.), In vriendschap en vertrouwen. Cultuurhistorische essays over confidentialiteit. Verloren, Hilversum 2014, p. 64-71; Willem Otterspeer, De mislukkingskunstenaar. Willem Frederik Hermans. Biografie, deel I (1921-1952). De Bezige Bij, Amsterdam  2013.
[4] In het interview Maarten Dessing, ‘Willem Frederik Hermans schreef met een erectie’. In: Knack, 2 maart 2015 (ook op www.knack.be).
[5] ‘Willem Frederik Hermans, ‘Experimentele romans’. In: Het Vaderland, 29 maart 1961, nu in: id., Volledige Werken, deel 11. De Bezige Bij, Amsterdam 2008, p. 123-128, in het bijzonder p. 125.
[6] Otterspeer, ‘Kritiek Max Pam bestaat uit één deel rancune en twee delen roddel’; id., ‘Fout(jes) in vredestijd’; Gielkens, Kegel, ‘Een “met zorg geschreven boek”?’.
[7] Gielkens, ‘De geheime relatie van Willem Frederik Hermans en Gerard van het Reve. Over vertrouwelijkheid en het gebruik van historische bronnen’.
[8] Christophe van Gerrewey, ‘Alles over de dierlijkste van onze schrijvers. Of nee, nog niet’. In: De Groene Amsterdammer, 5 maart 2015; Hans Renders, ‘Hoe de grote nihilist volhardde in een leugen’. In: Vrij Nederland, 13 maart 2015 (ook op www.vn.nl).
[9] Otterspeer, ‘Fout(jes) in vredestijd’.
[10] Léon Hanssen, ‘Een regenboog van graniet. Waarom de biografie niet buiten de wetenschap kan’. In: Biografie Bulletin, 9 (1999), afl. 3, p. 219-225.
[11] Gielkens, Kegel, ‘Een “met zorg geschreven boek”?’.
[12] Zie o.a. Onno Blom, ‘Leven en werk van W.F. Hermans van vergetelheid gered’, in: Trouw, 28 september 1999, en [anoniem], ‘Hermans-biograaf gekozen om eruditie’. In: NRC Handelsblad, 1 oktober 1999.
[13] Zie Pablo Cabenda, ‘Otterspeer schrijft biografie W.F. Hermans’. In: Leidsch Dagblad, 28 september 1999, en Marc Konijn, ‘Leven en werk van Hermans in kaart’. In: Haagsche Courant, 27 september 1999.
[14] Door een medewerkster die niet in de biografie bedankt wordt – maar dit terzijde.
[15] De Hermans-tussendoortjes: Willem Otterspeer, De geur van een pasgestoomde deken. De beste poezenstukken. De Bezige Bij: Amsterdam 2009; id. (ed.), Machines en emoties; id., Hermans in hout; id., Dorbeck, waar ben je? Een biografisch essay over De donkere kamer van Damokles. De Bezige Bij, Amsterdam 2012.
[16] De maatgevende bibliografie: Patrick De Rynck, Andries Welkenhuysen, De Oudheid in het Nederlands. Baarn 1992. Met dank aan Jan Bloemendal.
[17] Peter Sloterdijk, Zorn und Zeit. Politisch-psychologischer Versuch. Suhrkamp, Frankfurt am Main 2006.
[18] Peter Sloterdijk, Woede en tijd. Een politiek-psychologisch essay. Boom, Amsterdam 2007.
[19] Otterspeer, De zanger van de wrok, p. 960.
[20] Voor het aantal aanwezigen bij het overlijden van Hermans zie, met zo te zien Hermans-vertrouweling Raymond Benders als bron, Auke Kok in ‘Hermans laatste milde maanden’ in NRC Handelsblad van 27 april 2015: ‘met alleen zijn vrouw Emmy, zijn zoon en schoondochter om zich heen’. Otterspeer schrijft Ruprecht Hermans af in het interview Toef Jaeger, ‘Terroristen belagen mij’ (‘Ik heb hem wel gesproken, maar  ik vond zijn visie niet interessant’).
[21] Raymond J. Benders en Wilbert Smulders (red.), Apollo in Brasserie Lipp. Bespiegelingen over Willem Frederik Hermans. De Bezige Bij/WFHi, Amsterdam 2001.
[22] Jaap Goedegebuure, Herman Verhaar (red.), Tirade, 25 (1981), afl. 271.
[23] Hermus: ibid., p. 694-700; Arnold Heumakers, Onleefbare waarheden. Drie lezingen over literatuur en literatuurkritiek. De Prom, Baarn 1990.
[24] Otterspeer, De zanger van de wrok, resp. p. 96, 339, [1150] en 871. Van de negen bijdragen in de door Wilbert Smulders en Frans Ruiter samengestelde bundel De literaire magneet. Essays over Willem Frederik Hermans en de moderne tijd. De Bezige Bij, Amsterdam 1995, staan er twee in Otterspeers voetnoten, in de door dezelfden geredigeerde bundel Alleen blindgeborenen kunnen de schrijver verwijten dat hij liegt. Over het schrijverschap van Willem Frederik Hermans. Amsterdam 2009, zijn dat er twee van de zes.
[25] In april 2010 sprak Otterspeer bij de presentatie van de handelsuitgave van het proefschrift (2007) Sonja Pos, Dorbeck is alles! Navolging als sleutel tot enkele romans en verhalen van W.F. Hermans. Amsterdam University Press, Amsterdam 2010. Zie de Nieuwsbrief van de Girard Studiekring van mei 2010 op www.girard.nl. Het boek van Pos wordt, om het nog gênanter te maken, genoemd als een van de vier ‘grote vroege interpretatieve essays’ over Nooit meer slapen die een ‘schoonheidsprijs’ verdienen; de andere genoemde publicaties zijn inderdaad van kort na het verschijnen van de roman: uit 1970 en 1971.
[26] Otterspeer, De zanger van de wrok, p. 45.
[27] Bram Oostveen, Marc van Zoggel, ‘Een schitterende film, die absoluut gemaakt moet worden: Claus, Reve, Hermans en de verfilming van “De stille kracht”’. In: De Parelduiker, 18 (2013), afl. 4, p. 2-22.
[28] Jan Gielkens, ‘“Ik ben nooit op een autootje zo verliefd geweest.” Willem Frederik Hermans achter het stuur.’ In: De Parelduiker, 18 (2013), p. 21-36.
[29] Otterspeer, Hermans in hout, p. 59.
[30] Arno van der Valk, W.F. Hermans. Het grootste gelijk buiten Nederland. Aspekt, Soesterberg 2002, p. 28.
[31] Er is in het Hermans-archief geen door Hermans aangelegde dossier-Bodart, zoals vermeld in Otterspeer, De mislukkingskunstenaar, p. 458, evenmin is er een dossier-Persoonlijke documenten, zoals bijvoorbeeld vermeld in de voetnoten 185 en 2103 in id., De zanger van de wrok.
[32] De opmerking ‘meer dan de helft van dit boek is door Hermans geschreven’ van Christophe van Gerrewey in ‘Alles over de dierlijkste van onze schrijvers. Of nee, nog niet’ is niet overdreven, zoals een eigen ruime steekproef in De zanger van de wrok laat zien. Wat die parafrases betreft: op p. 848 doet Otterspeer dat met de Hermans-zin ‘Maar leuk is anders’. Het resultaat: ‘Maar leuk was anders’. Het is te hopen dat het verschil tussen origineel en parafrase bij de niet-gecontroleerde gevallen groter is.
[33] Een willekeurig voorbeeld: op p. 886, die bijna helemaal uit een citaat uit één brief bestaat, staan 11 transcriptiefouten, er is een zin weggelaten, er staat een afbrekingsfout en nieuwe alinea’s worden niet aangegeven (maar dat is doorgaans het geval bij citaten uit brieven in deze biografie).
[34] Zoals dat – zonder enige verantwoording! – ook gebeurt in: Willem Frederik Hermans, Gekkenpraat. Verhalen, gedichten en essays over waanzin en paranoia. Gekozen en ingeleid door Willem Otterspeer. De Bezige Bij, Amsterdam 2015.
[35] Willem Otterspeer, Groepsportret met Dame I. Het bolwerk van de vrijheid. De Leidse universiteit, 1575-1672. Bert Bakker, Amsterdam 2000; ook op www.dbnl.nl.
[37] Van p. 850 in De zanger van de wrok terug naar p. 73 van De mislukkingskunstenaar.
[38] De ‘sparringpartner’ is Thomas van den Bergh, zie De mislukkingskunstenaar, p. 861; in De zanger van de wrok wordt hij niet meer persoonlijk bedankt.
[39] Voor de geschiedenis zie: http://heijnis-schipper.nl/over-ons/historie/.
[40] Willem Frederik Hermans, ‘Inleiding’. In: Han de Vries (red.), Carel Blazer. Fotograaf. Contact, Amsterdam 1979, p. 5-7.
[41] Dit staat er: B.I.M. Boefjes, ‘Vraatzucht’. In: Remco Campert en Joost Roelofsz (red.), De zeven hoofdzonden. Amsterdam 1970, p. 35-45, en dit zou er moeten staan: Pater-Frater B.I.M. Boefjes O.F.M. [= Willem Frederik Hermans], ‘Vraatzucht’. In: De zeven hoofdzonden. Amsterdam 1970, p. 35-45.
[42] Willem Otterspeer, ‘Pam begrijpt het niet’. In: De Groene Amsterdammer, 10 april 2014.
[43] ‘De Nederlandse gedragscode Wetenschapsbeoefening. Principes van goed wetenschappelijk onderwijs en onderzoek’, VSNU 2004 (herziening 2014). Zie: http://bit.ly/1NCxSNF.
[44] [Johann Wolfgang] Goethe, Poetische Werke. Dramatische Dichtungen iv. Faust. Aufbau, Berlijn 1973, p. 400. De Goethe-biograaf in noot 1971 van De zanger van de wrok heet overigens Friedenthal, niet Friendenthal.
[45] Goethe, Poetische Werke. […] Faust, p. 400; de vertaling: Johan Wolfgang Goethe, Faust. Een tragedie. Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2001, p. 321.
[46] Hermans in een brief aan E.M. Janssen Perio, 16 maart 1959, doorslag in het archief-Hermans. Ik dank het Willem Frederik Hermans instituut voor de toestemming, voor dit artikel gebruik te maken van het archief-Hermans.

Dit artikel verscheen eerder in Max Pam, Hans Renders, Piet Schreuders (red.), Het motorzijspan van Willem Frederik Hermans. Amsterdam: Mokken Boeken, 2015,  p. 162-185; de voetnoten zijn hier en daar licht redactioneel aangepast. De passage Bronloos overschrijven heb ik later wat aangescherpt: http://jangielkens.blogspot.nl/2016/05/anders-4-inmijn-artikel-het-staat-er.html