vrijdag 4 mei 2018


Marx (18)


In de VPRO-gids van deze aflopende week komt Karl Marx een paar keer voor. Het is morgen, 5 mei, immers tweehonderd jaar geleden dat hij werd geboren, en dat wordt herdacht. Een van de berichten in de gids formuleert dat zo: ‘In 2018 zou Karl Marx tweehonderd jaar zijn geworden.’ Als hij niet in 1883, 135 jaar geleden, veel te jong overleden was, moet de maker van deze zin gedacht hebben. Meneer Ötzi uit het bericht eronder zou dus dit jaar wellicht 3500 oud zijn geworden – als hij niet een collega met een boog en een pijl was tegengekomen. Het is natuurlijk wel zo dat Marx voor sommigen nog altijd leeft, al is het dan niet in het geheim en onder een andere naam in Paraguay of Argentinië.

Marx zit in de hoofden van de publieke opinie als een oude man. Dat blijkt ook uit de nagespeelde documentaire die de Duitse televisie uitzond: Marx wordt daarin gespeeld door Mario Adorf, en die is 87. Terwijl Marx nog maar 64 was toen hij overleed. Eigenlijk zou het beter moet uitkomen als hij als eeuwig jong wordt geportretteerd – want als je 64 bent, kan ik me herinneren, ben je nog piepjong. De grimeur heeft bij het aanpassen van Adorf een foto van Marx uit 1882 bij de hand gehad. Dan is hij al ziek en nog maar 63, maar hij oogt stukken jonger en frisser dan de Marx uit de film (die ik niet gezien heb: geen zin in).
Nog zo’n idee van Marx en zijn werk staat elders in de VPRO-gids: daar wordt Das Kapital een ‘boekenplankvuller’ genoemd. Nu telt de uitgave van Das Kapital die de meeste Nederlanders wel kennen, de Nederlandse vertaling namelijk, die zij zelf, hun ouders of hun grootouders ooit kochten onder het devies: dat boek moet ik toch een keer lezen, zo’n 600 bladzijden, en die zijn met zijn allen 3,5 centimeter breed. Mocht deze redacteur van de VPRO-gids, in tegenstelling tot de meeste mensen, weten dat Das Kapital nog een paar – nooit vertaalde  delen heeft, dan kun je daar, afhankelijk van de uitgave die je voor ogen hebt, nog een decimeter bijtellen. Ja, maar ik bedoelde, hoor ik de VPRO-persoon dan tegenwerpen, dat er heel veel boeken over Das Kapital geschreven zijn. Dat is waar, zou ik dan terugzeggen, maar dat is wel meer dan een plank. Als u, meneer de redacteur, dat geweten had, had u het ook opgeschreven.
Marx zou zich in zijn graf in Londen omdraaien als hij het las, maar dat is best moeilijk: ze hebben daar in Highgate een hele grote, zware, oude kop boven op hem gezet.

Hoe dan ook: Karl, vier ze morgen!

dinsdag 1 mei 2018


1 Mei [2015]

25 jaar geleden had ik het druk. Op 1 mei 1990 verscheen het boek Een dag is ’t van vreugde, een dag is ’t van strijd. Geïllustreerde geschiedenis van 1 Mei in Nederland, geschreven door Ger Harmsen, Luchien Karsten en mij. Het verschijnen werd gevierd in het instituut waar ik toen werkte, het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. Ik herinner me niet veel van die presentatie, behalve dat ik eerder weg moest om op te treden in een talkshow van de kortstondige televisiezender RTL-Véronique. Viola Holt was de presentatrice, die toen nog Viola van Emmenes heette. Ze had een bijzondere belangstelling voor het onderwerp, want haar grootvader was Adrianus van Emmenes (1857-1906), een zeer actieve socialist en vakbondsman vanaf de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Omdat ik eerder weg moest miste ik ook – ik mocht blij zijn, hoorde ik achteraf – een optreden van een goed bedoeld maar vals zingend strijdliederenkoor. Wat ik wel nog meemaakte was het praatje van Ger Harmsen, die het voortdurend had over ‘Sjiekéégoo’, waar hij Chicago bedoelde, de stad in de Verenigde Staten waar de geschiedenis van 1 Mei begon.

Een dag is ’t van vreugde etc. is, na vijfentwintig jaar, nog best een aardig boek. Vreemd genoeg heeft nog geen van de tientallen auteurs van het Nederlandse Wikipedia-lemma over 1 Mei het ontdekt. Het is dan ook niet vreemd dat dat lemma ‘Dag van de Arbeid’ heet – zoals 1 Mei ook elk jaar weer op radio en televisie als ‘Dag van de Arbeid’ langskomt. In Een dag is ’t van vreugde etc. wordt die term vermeden, behalve in het hoofdstuk dat gewijd is aan de meivieringen tijdens de Duitse bezetting. Daar zaten illegale vieringen van socialisten bij, maar ook de nationaalsocialisten vierden 1 Mei, ze wilden de dag zelfs tot nationale feestdag maken, maar omdat dat idee pas in 1944 vast vorm aannam, kwam het er nooit van. De nationaalsocialisten noemden 1 Mei de ‘Dag van de Arbeid’, en daarom vonden we dat een besmette term.

Ik zeg we, maar ik bedoel eigenlijk ‘ik’. Want ik was de auteur van het hoofdstuk over de bezettingsperiode, en het was zelfs zo dat Ger Harmsen het helemaal niet in ons boek wilde opnemen. Argument: ‘Dat is niet onze 1 Mei’. Maar de wetenschappers hadden de overhand in het auteurscollectief, en dus kwam die periode wel degelijk in het boek. Een rare snuiter, die Harmsen, aan wie ik, als ik nog eens memoires schrijf, wel een paar kritische alinea’s zal wijden. In 1975 deed Willem Frederik Hermans dat al in een prachtige Bijkaart-column in Het Parool naar aanleiding van Harmsens oratie: ‘Insiders beweren dat Ger z’n Groningse professoraat alleen gekregen heeft om tegenover de aldaar (zoals overal) aanwezige marxistische krankzinnigen een repressief tolerant gebaar te maken.’ En meer van dat soort zinnen. Lees het in deel 12 van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans.
De illustratie die voor dit omslag werd gebruikt is van Fré Cohen (1903-1943)

Dit stuk verscheen voor het eerst op Facebook op 1 mei 2015, het is hier minimaal redactioneel gewijzigd en ik heb een titel toegevoegd. Op 1 mei 2018 zette ik het op dit blog, op Facebook leidde ik het in met de volgende tekst:

Gisteravond schreef ik een stuk voor mijn blog over 1 Mei – er zijn van die jaarlijkse plichten en behoeften. Tijdens het tikken dacht ik voortdurend: dat heb ik toch al een keer opgeschreven, maar ik kon anderhalf uur lang maar niet bedenken waar, en ik had ook geen zin te gaan zoeken nu ik zo lekker aan het tikken was. Vanochtend wist Facebook het weer: op 1 mei 2015 schreef ik het stuk dat ik nu maar op mijn blog heb gezet om het voor de zogenaamde eeuwigheid te bewaren.

Maar toch was mijn stuk van nu weer een beetje anders dan toen. Ik begon met de vermelding van een antiquariaat dat op Boekwinkeltjes.nl Een dag is t van vreugde. Een dag is t van strijd. Gellustreerde geschiedenis van 1 mei in Nederland verkoopt en het aanprijst als een [b]ijzonder aardig boek met mooie ill[ustraties]. En dat is het ook, al publiceerden Ger Harmsen, Luchien Karsten en ik het in 1990 mét apostrofs, mét een komma na vreugde, mét een ï ergens in Gellustreerde en met de mei van mei met een hoofdletter. Er staat overigens in het boek op zijn minst één illustratie die wel mooi is maar niet erg Nederlands. Er lagen gewoon, bij het uitzoeken van de plaatjes, zoveel mooie dingen op tafel dat we niet merkten dat de foto in Antwerpen is gemaakt. Welke zou het zijn? Dat uitzoeken van de illustraties was in zoverre gedenkwaardig omdat het plaatsvond in een inpandig zaaltje in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam, en wel op 25 januari 1990, de dag van een van de zwaarste stormen die Nederland ooit gekend heeft. Maar we hadden zo hard gewerkt dat we helemaal niet gemerkt hadden dat het buiten stormde, en niemand had ons gewaarschuwd. Toen we om 4 uur tevreden uit het zaaltje kwamen, was het instituut bijna leeg, en de in Utrecht woonachtige directeur had iedereen die ook in Utrecht woonde in zijn auto meegenomen – behalve mij. Het is een van de vele prettige herinneringen die ik aan die vent heb.

In de jaren na 1990 kreeg ik af en toe uitnodigingen om ergens tijdens een 1 Mei-viering te spreken over de geschiedenis van de feestdag, en dat was meestal moeizaam, omdat de feestvierders iets anders verwachtten dan een historisch verhaal. Ik herinner me een avond van Groen Links in Dordrecht, waar ik het verbaal aan de stok kreeg met een aantal aanwezigen die niets wilden horen over vrije socialisten als Domela Nieuwenhuis, want die hadden niks met 1 Mei te maken – of zoiets, er zijn altijd mensen die het beter weten. Ik kreeg als dank een fles Bulgaarse rode wijn na afloop – dat dan weer wel.

En voor de rest was het zo ongeveer het stuk van 2015, en dat ging zo:

Hier moet u dan weer boven beginnen. Dit naschrift bewerkte ik overigens ook weer minimaal redactioneel.

vrijdag 27 april 2018


De rectificatie


In 1997 verscheen mijn boek ‘Was ik maar weer in Bommel’. Karl Marx en zijn Nederlandse verwanten. Een familiegeschiedenis in documenten. De bedoeling van het boek was, de verhalen over de relatie tussen de twee bekende families te ontdoen van allerlei feitelijke en ideologische vervuiling van diverse kanten, en wel door gedegen wetenschappelijk onderzoek. Je denkt dan, als zo’n boek klaar is, dat wat je daar hebt uitgezocht en opgeschreven de standaard wordt als het gaat om Marx en zijn Nederlandse familieconnecties. Maar dat is niet zo.

Op 6 januari 1999 verscheen er bijvoorbeeld in een Nederlands weekblad een artikel over Marx en Nederland dat op mijn werk leek te zijn gebaseerd: het verwees naar een boek dat eerder bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam was verschenen en vermeldde zelfs een titel. Alleen: dat was de werktitel waaronder het boek ooit was aangekondigd. En dan weet je meteen wat er aan de hand is: de betreffende journalist heeft niet het boek ter hand genomen maar de knipselmappen uit het archief van het weekblad. En dat was ook goed te zien aan de inhoud. Op 8 januari 1999 schreef ik daarom de volgende e-mail aan de redactie van het weekblad:

Geachte […]-redactie,

Graag wil ik u erop wijzen dat uw collega […] in zijn artikel over Karl Marx en zijn Nederlandse relaties in […] van deze week prutswerk aflevert. […] noemt in het begin van zijn artikel mijn boek over Marx en zijn Nederlandse verwanten, de indruk ontstaat daardoor dat de informatie die in het artikel staat van mij afkomstig is. De titel die […] noemt is overigens niet correct (en dat de auteur niet genoemd wordt is ook niet correct maar in dit verband een gelukkige omstandigheid). Dat […] het boek gezien betwijfel ik overigens – ik gok op de knipselmap. Ik geef u enkele redenen waarom ik dat denk (het zijn namelijk bijna allemaal zaken die in de Marx-historiografie een eigen leven zijn gaan leiden):
            - De achternaam van de moeder van Marx was niet Pressburg maar Presburg.
            - Marx’ oom Lion Philips was niet de overgrootvader maar de grootvader van Anton Philips.
            - Lion Philips leende geen geld aan zijn neef Marx maar gaf hem voorschotten op de door hem (Philips) beheerde erfenis van Marx’ in 1838 overleden vader. Marx werd dus niet ‘royaal [...] gesteund door oom Lion Philips’ (de inleiding van […]s stuk).
            - Marx’ erfdeel na de dood van zijn moeder in 1863 bedroeg 12.000 gulden (want het familiekapitaal werd in Nederland beheerd en uitgekeerd), niet 14.000 mark (die pas sinds 1871 bestaat).
            - Dat Marx ‘menig hoofdstuk’ van Das Kapital in Zaltbommel schreef staat leuk in de toeristische folders van Zaltbommel, maar er is geen document dat dit staaft.
            - Marx’ steenpuisten werden niet behandeld ‘door een met Philips bevriende arts’ maar door Marx’ aangetrouwde neef Anton van Anrooij, stadsarts van Zaltbommel.
            - Dat van boeken die van de joodse afkomst van de familie Philips gewag maakten de gehele oplage werd opgekocht is een verhaal uit antisemitische kring.
            - Het Haagse congres van de Eerste Internationale vond plaats in 1872, niet in 1877.
            - De huwelijken met Nederlanders van twee zusters van Marx die de band van Marx met Nederland volgens […] na het Haagse congres nog verder intensiveerden vonden al in 1842 resp. 1853 plaats.
            - Marx’ zuster Luise trouwde met een Juta, niet met een Jutta.
            - […] citeert een ‘Marx-kenner’ Ralph Buultjens (ik dacht dat ik ze allemaal kende), die beweert dat Marx een onstuimig liefdesleven had en een amoureuze escapade met zijn nicht Antoinette Philips. Marx was bijna veertig jaar met één vrouw getrouwd en de enige bekende escapade was die met hun huishoudster Helene. Een nicht Antoinette bestaat niet; bedoeld is waarschijnlijk Nanette, maar ‘iets’ met haar is op geen enkele wijze te documenteren.
            - Marx is overleden in 1883, niet in 1882.
            - Ger Harmsen schreef wel een paar keer over Marx en Nederland maar is geen ‘Marx-biograaf’.
            - Dat godsdienst opium voor het volk was heeft Marx misschien niet bedacht maar wel opgeschreven.
            - Edgar (niet Edvar) Aveling was vooral een vooraanstaand socialist en daarnaast ook theosoof, en hij was niet getrouwd met Marx’ dochter Eleanor maar woonde met haar samen. Tijdens de relatie trouwde hij in het geheim met iemand anders. Eleanor Marx pleegde, toen ze dit vernam, zelfmoord (maar misschien bedoelt […] dat met ‘fataal bezwijken’.
            - Marx waagde inderdaad een gokje op de effectenbeurs, maar niet ‘altijd met catastrofale gevolgen voor de [...] familiekas’. Marx heeft voorzover bekend één keer gespeculeerd en toen verdiende hij 400 pond.

Ik laat het bij zestien punten (één per honderd woorden […]). In mijn boek heb ik geprobeerd de verhalen over Marx en Nederland uit de hoek van de gelovigen, de haters, de lokaal-historici en de knipselmappen te halen, op een toegankelijke en toch wetenschappelijke manier. Mijn promotiecommissie vond het wat dat laatste betreft in elk geval in orde, en over de recensies en de verkoop van mijn boek is mijn uitgever tevreden. Als u […] mijn boek cadeau wilt doen: de titel is `Was ik maar weer in Bommel'. Karl Marx en zijn Nederlandse verwanten. Een familiegeschiedenis in documenten (Amsterdam: Stichting beheer IISG, 1997).

[…]

Met vriendelijke groet:

*

Tot mijn verrassing vond ik de tekst van deze e-mail nog in mijn oude bestanden, maar de verdere correspondentie is daar helaas niet meer, en eventuele papieren sporen zitten in het momenteel ontoegankelijke deel van mijn archief. Ik doe het dus verder uit mijn hoofd – en dat snapt u gezien het bovenstaande vast wel. Na wat aandringen kreeg ik antwoord van de auteur van het artikel, met interessante excuses: hij was in tijdnood geweest, de kinderen waren lastig en hij had een slok op toen hij het artikel schreef. Met deze mail vroeg ik de redactie van het weekblad om verwijdering van het artikel van de website (want dit weekblad was daar heel vroeg mee) en om een rectificatie. Na weer wat aandringen verscheen die rectificatie – helaas zonder de werkelijke oorzaken van het probleem – in het nummer van 15 april 1999. Het artikel verdween van het internet.

Maar het kwam op een gegeven moment weer terug. Wanneer precies weet ik niet, maar toen ik een paar weken geleden met de voorbereiding van dit stukje begon, bedacht ik dat ik ter controle toch maar even moest googelen. Het dronken artikel bleek er dus weer op te staan. Ik schreef maar weer eens een mail aan het weekblad, verwees naar de oude afspraak en vroeg om verwijdering, opnieuw, van het artikel. En dat is intussen ook gebeurd, ook al moest ik dat zelf ontdekken; van het weekblad heb ik geen antwoord gekregen. De rectificatie staat nog steeds online, en dat lijkt me prima, want als u die tekst vindt, weet u over wie ik het hierboven heb gehad.


vrijdag 20 april 2018


De achterneef


Karl Marx was getrouwd met Jenny von Westphalen, en die was van bescheiden adellijke afkomst. Er zijn mensen die dat vreemd vinden en die menen dat Marx als socialist een wat meer proletarische keuze had moeten maken. Misschien vinden diezelfde mensen ook wel dat Nederlandse socialisten geen dubbele achternamen mogen hebben. Ik kwam op die gedachte toen ik het register van de biografie Moed en overmoed. Leven en tijd van Mata-Hari van Jessica Voeten en Angela Dekker bekeek. Ik begin, zoals al vaker opgemerkt, een biografie en andere informatieve boeken graag achterin, bij de voetnoten, de literatuurlijst en het register. Vooral het register is wat mij betreft voor het inlezen onontbeerlijk: je kunt zo’n beetje zien wat je kunt verwachten aan personen die met het onderwerp van de biografie te maken hebben, en juist de namen die je niet verwacht maken het leuk en interessant. Of je een naam verwacht of niet heeft uiteraard te maken met de eigen kennis van het onderwerp, en omdat ik eigenlijk niet zo veel weet over Mata-Hari kon ik in nauwelijks verrast worden. Wel vielen me de vele dubbele achternamen op. En die zijn altijd leuk in een register. Franse lange namen bijvoorbeeld, zoals Marie Anatole Louise Élisabeth Comtesse Greffulhe-de Riquet de Caraman-Chimay, want hoe doe je dat? Wat is nou eigenlijk de achternaam, zet je streepjes tussen de voornamen zoals de Fransen vaak doen, schrijf je dat ‘Comtesse’ met een grote of een kleine letter? Schrijf je een accent aigu op een hoofdletter? En hoe weet je of al die voornamen kloppen, want op Wikipedia, de Franse, heeft ze er een meer.

Er komen niet veel lange Franse namen voor in deze biografie, wel veel Nederlandse. Die staan bijna allemaal in het register zoals ik ze er ook in zou zetten: Andringa de Kempenaer onder de A, Balbian Verster onder de B, Cort van der Linden onder de C, Fundter de Beauchene onder de F. Enzovoorts. Maar een paar keer gaat het mis. Henriette Roland Holst-van der Schalk komt, zij het alleen als zuster van de bankier Will van der Schalk, in het boek voor, maar in het register moeten we haar onder Holst zoeken. Ook de anarchistische voorman Ferdinand Domela Nieuwenhuis komt ergens even langs, en ook hij is in het register terechtgekomen met de tweede helft van zijn achternaam. Zou dat komen, denk ik dan, omdat de registermaker denkt dat socialisten geen dubbele achternamen kunnen hebben?

Domela Nieuwenhuis correspondeerde met Marx, we komen dus al een beetje in de buurt van het onderwerp van deze vrijdagse reeks. Maar er staat nog iemand in het register van de Mata-Hari-biografie, en die had zowel direct contact met Mata-Hari als een familierelatie met de familie Marx. Eduard Philips, want die is het, was als advocaat voor onze spionne actief, en hij was een achterneef van Marx. De vader van Eduard (1872-1967), Frederik, de Zaltbommelaar die ook de vader van de Philips-concernoprichters Gerard en Anton was, was een volle neef van Marx. Eduard schreef in 1957 zijn Gedachten en herinneringen op, en daarin komt Marx natuurlijk ook voor, meestal haalt hij zijn kennis uit boeken, en af en toe uit de familieoverlevering. Marx schreef, volgens Eduard Philips, Das Kapital ‘gedeeltelijk in het huis van zijn oom (mijn ouderlijk huis); volgens mijn vader had hij de gewoonte, telkens als hij wat geschreven had, op te staan en om de tafel te lopen, harder en harder, tot dat hem iets inviel, waarna hij weer ging schrijven.’
Uit De Sumatrase Post van 14 juli 1939 (via Delpher.nl)
Deze paar zinnen, hoewel ze geen bredere feitelijke basis hebben dan zichzelf, komen telkens weer terug in de geschiedschrijving over Marx in Nederland, in allerlei variaties. Er wordt maar al te graag gemeld dat het bekendste werk van de filosoof in Nederland is ontstaan, hoewel dat hoogst onwaarschijnlijk is. In 1999 schreef een journalist van een Nederlands weekblad bijvoorbeeld:  ‘In Zaltbommel schreef Marx menig hoofdstuk van zijn levenswerk, Het kapitaal.’ Over die journalist en zijn artikel gaat het een volgende keer in deze reeks.

vrijdag 6 april 2018


Het oog wil ook wat


In het najaar van 1984 maakte ik mijn eerste echte dienstreis. Ik mocht met mijn baas Götz Langkau mee voor archiefonderzoek in het Instituut voor Marxisme-Leninisme in Moskou. De archiefinstelling had eigenlijk nog een veel langere naam, die ook het Centraal Comité van de Communistische Partij van de Unie van Sovjet-Republieken vermeldde. We gingen naar Moskou om het archief van de Duitse sociaaldemocraat Wilhelm Liebknecht door te spitten vanwege een brieveneditie die werd voorbereid (en waarvan in 1988 deel 1 verscheen). We gingen dus voor de wetenschap (want we werkten op het IISG, het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam), en we logeerden niet, zoals ons wel werd aangeboden, in het hotel van de partij, maar op kosten van de Nederlandse belastingbetaler in Hotel National, vlak bij het Rode Plein. Dat was toen ook een luxe hotel, maar dan in de aftandse variant. Eén roebel was toen nog éen dollar, en die stond op een recordhoogte van een gulden of vier.

We accepteerden wel een uitnodiging om ons met een auto van de partij op de zondag tussen de twee werkweken in te laten rondrijden om met een gids de Lenin-Bibliotheek en een openluchtmuseum in de buurt van Moskou te bezoeken. Tussendoor gingen we ook naar het Marx-Engels-Lenin-Museum – als ik me de naam goed herinner. Een van de mooiste ruimtes daar vond ik als beperkt gelovige de kamers die gevuld waren met vitrines vol Communistisch Manifesten en Kapitalen in tientallen talen, want wat maakt de internationale verspreiding van teksten beter duidelijk dan de fysieke bewijzen ervan. Al die versies, en zo ongeveer alles in het museum, waren overigens, zo werd ons verteld, facsimiles. Knap werk.

Vitrines met allerlei versies van Marx- en Engels- en andere publicaties heb ik sindsdien zelf ook vaker gemaakt, en misschien eerder ook al, want in 1983 maakten we op het IISG een tentoonstelling naar aanleiding van de honderdste sterfdag van Marx. Uiteindelijk leidde de behoefte aan een nauwkeurige kennis van wat er van de heren Marxengels in het Nederlands was vertaald in 1992 tot een gepubliceerde bibliografie, en eind 2017 verscheen in het vertaaltijdschrift Filter een artikel over de Nederlandse vertaalgeschiedenis van het Manifest der Kommunistischen Partei, zoals de brochure heette toen ze in 1848 in het Duits in Londen verscheen.

Ik ben als textual scholar en bij de bibliografische activiteiten binnen dat beroep een propagandist van de uitspraak ‘Form effects meaning’ van de befaamde Nieuw-Zeelandse bibliograaf en literatuurwetenschapper Don McKenzie. Kort gezegd: het maakt uit hoe een boek er uitziet. In mijn artikel over de vertaalgeschiedenis van het Manifest ga ik slechts kort in op het uiterlijk van de diverse vertalingen. Over het algemeen is de primaire gedachte bij socialistische publicaties, en zelfs bij boeken over een socialistisch thema, dat rood daarvoor de meest geschikte kleur is, en dat is dan ook voor de Nederlandstalige Manifesten het geval. Men deed in de loop van de tijd zijn best om er wat variatie in aan te brengen.
Opvallend is dat het Manifest in 1848 groen was. Opvallend is ook de kleurenkeuze (door vormgever Piet Gerards) van de laatste Nederlandse vertaling, die van Hans Driessen uit 2015. Ik kon het helaas niet helpen: ik moest meteen denken aan de Duitse vlag zoals die van 1933 tot 1945 de nationale driekleur van Duitsland was – en zo werkt dus ongeveer dat ‘form effects meaning’ van McKenzie, ook als mijn associatie niet de bedoeling kan zijn geweest.

Ik laat hieronder een keuze uit de omslagen van Nederlandse Manifest-vertalingen volgen, zonder verdere gegevens, zonder analyse, zonder oordeel, min of meer in chronologische volgorde. De afbeelding hierboven is van het internet geplukt, de eerste hieronder komt van het IISG en de rest is eigen bezit.















woensdag 4 april 2018

Op de markt [2008]

Op 14 september 2006 overleed, 81 jaar oud, Harry Prick, de pleitbezorger van Lodewijk van Deyssel, de bezorger van veel van diens werk ook, en vooral de biograaf van Karel Alberdingk Thijm alias Van Deyssel. Maar Harry Prick was veel meer dan dat. Een kenner van de literatuur in zijn algemeenheid was hij, dat was te lezen in zijn geschriften, dat was te horen wanneer je met hem sprak, dat was ook te zien wanneer je hem bezocht in zijn indrukwekkende werkvertrek op de begane grond van zijn huis in Maastricht. De laatste van mijn twee visites bij hem vond plaats op 6 juli 2005. Ik ging met mijn Huygens Instituut-collega Hanneke van Kempen een brokje van het archief van Lodewijk van Deyssel ophalen: de brieven van Herman Gorter, die ik te leen kreeg om te kijken of ik mogelijkheden zag ze uit te geven. Het was het eerste deel van het archief-Van Deyssel dat huize Prick verliet – de eigenaar was er een beetje emotioneel over. Ik vroeg Prick of hij een voorwoord bij het voorgenomen brievenboek wilde schrijven. Hij wilde dat wel maar vroeg zich, nota bene, af of hij er wel de geschikte persoon voor was, en ook of het hem nog wel gegeven zou zijn: hij was al zo oud en er was nog zo veel te doen, zo veel te lezen vooral. De hele Balzac moest nog een keer gelezen worden, de hele Jean Paul, ook de brieven van deze tijd- en taalgenoot van Goethe, maar er waren nog maar twee delen van deze brieveneditie verschenen – hij hoopte dat hij het einde van de reeks van acht nog zou meemaken.

Maar dat lukte dus niet, en ook het voorwoord bij de brieven van Gorter aan Van Deyssel werd niets, ook al omdat ík geen tijd had om concrete plannen te maken. De uitvaartmis in Maastricht was stemmig en katholiek. Bij dat katholieke hoorde ook het bidprentje dat werd uitgedeeld en dat traditioneel iets hoort te zeggen over de overledene. Maar het bidprentje zei niets over Harry Pricks core business: de literatuur. Op de voorkant staat een foto van Prick, in zijn hand heeft hij een geïllustreerd tijdschrift, binnenin het kaartje staat een versje van ‘Al Qino’ met de bronvermelding ‘spreuk stiltecentrum azM’. Een levende Harry Prick zou ongetwijfeld hebben achterhaald dat de auteur eigenlijk een Chinees was en Ai Qing heette en dat het gedicht in allerlei uit het hoofd geciteerde versies op het internet te vinden is. En dus op de muur of in een drukwerkje van het Academisch Ziekenhuis Maastricht. Een bidprentje zou Harry Prick – Haary zei de priester die de uitvaartmis leidde op zijn Maastrichts – vermoedelijk wel in orde hebben gevonden, maar in deze vorm, zonder Van Deyssel, zonder literatuur? Vreemd.

Vreemd vond ik ook dat al acht maanden na de dood van Prick zijn prachtige bibliotheek werd geveild. In mei 2007 bestond een deel van het aanbod van veilinghuis Bubb Kuyper in Haarlem uit boeken uit de Maastrichtse schatkamer. Een lot met Jean Paul-publicaties, waaronder de twee brievendelen, bleef onverkocht. Twee jaar eerder was op dezelfde plek een deel van de collectie van Boudewijn Büch verkocht, met daarin ook allerlei zaken die eigenlijk van Prick waren, zoals hij ons in juli 2005, kort na de betreffende Büch-veiling, vertelde. Een van de eerste briefkaartjes van Lodewijk van Deyssel aan Herman Gorter ging voor € 230, exclusief opgeld, naar antiquariaat AioloZ in Leiden en van daar voor meer naar een verzamelaar. Büch had deze autograaf en een aantal andere ooit van Prick ‘geleend’ met de belofte ze ooit terug te bezorgen of, bij een eventueel eerder overlijden van de lener, via een codicil weer bij Prick terug te laten keren. Maar dat codicil kwam er nooit en de geleende spullen keerden nooit naar Maastricht terug.

Kort na de veiling, want zo gaat dat, verscheen het overschot van de Prick-verkoping, net zoals dat eerder met de Büch-resten was gebeurd, op de markt, letterlijk, want de wekelijkse boekenmarkt in Den Haag is daar de plek voor. Ik vond twee losse delen van de Verzamelde werken van Herman Gorter die nog in mijn reeks ontbraken, allebei met notities en aanstrepingen van Prick, ook De geschiedenis van het tijdschrift Vlaanderen van G.H. ’s Gravesande met diens opdracht aan Prick; ‘v.d.S’ kreeg Prick het proefschrift over Frans Coenen van K.F. Proost en uitgebreider was de opdracht aan Prick in Het festijn van Tachtig van Enno Endt: ‘Aan mijn feestdisgenoot sinds..., jaren vijftig is ’t niet?’ staat er op de Franse titelpagina. Veel liet ik ook liggen de maanden daarna, want af en toe verschenen er plukjes Tachtigers-literatuur met Pricks naam erin, series overdrukjes van publicaties van Prick in tijdschriften en andere dingen. Maar wat ik wel meenam was Tim’s herinneringen van Aeg. W. Timmerman, de in 1938 bij Paris in Amsterdam verschenen autobiografische tekst van de Homerus-vertaler die bevriend was met veel Tachtigers, onder hen Herman Gorter en Lodewijk van Deyssel. Prick maakte in 1983 een nieuwe editie van Tim’s herinneringen voor de serie Privé-domein van de Arbeiderspers, hij maakte voetnoten en schreef een nawoord. Op het schutblad van de voor € 1 gekochte eerste druk van 1938 staat in een net handschrift: ‘H.G.M. Prick’. Verspreid over het boek staan notities, ook kruisjes, en een blik in de editie van 1983 (of in de digitale versie ervan in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren op www.dbnl.nl) toont dat die notities en kruisjes te maken hebben met de heruitgave. Waar een rood Prick-kruisje in het boek van 1938 staat, staat in de editie van 1983 meestal een voetnoot, correcties in door Timmerman verkeerd geschreven namen bijvoorbeeld staan overeenkomstig Pricks aantekening in de heruitgave. Hoort zo'n boek niet bij het archief van Harry Prick, denk ik dan, in die zevenentwintig ongesorteerde dozen die nu bij het Letterkundig Museum in Den Haag liggen?
In het gekochte boek zat nog het een en ander, maar dat zag ik pas toen ik thuiskwam. Ten eerste een bedankkaartje van de familie Timmerman na het overlijden van ‘Tim’ in april 1941. Het kaartje zal aan Lodewijk van Deyssel, of beter aan Karel Alberdingk Thijm, gericht zijn geweest, want Harry Prick was toen nog niet met Van Deyssel bezig. Misschien was dit dus Van Deyssels exemplaar voordat het Pricks exemplaar was? Het eerste exemplaar van Tim’s herinneringen, zo lezen we in Pricks nawoord van 1983, werd op 23 augustus 1938 in Kunstzaal Enzlin in Blaricum aan Timmerman ter gelegenheid van diens tachtigste verjaardag uitgereikt door een oud-leerling, jonkheer Ayzo Epeus van Humalda van Eysinga (1878-1958), die kunstschilder was geworden. ‘Ayzo’ was de naam waarmee Van Humalda van Eysinga in november 1924 een portret van Aegidius Timmerman ondertekende. Dit portret werd als briefkaart gedrukt. Een van die briefkaarten stuurde of gaf Timmerman ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag aan Van Deyssel. Hij schreef aan de adreszijde: ‘Ter herinnering / aan Tim / 23 Aug 28. / Wat heeft-ie veel / aan je te danken / Karel!’ En die briefkaart, dat mooie bewijs van een bijzondere relatie, lag en ligt in mijn exemplaar van Tim’s herinneringen. Literaire vriendschap, voor een euro te koop op de markt.

Eerder verschenen in De Parelduiker, 13 (2008), afl.1, p. 70-72, en hier met enkele kleine redactionele correcties herdrukt. De in het stuk genoemde plannen om de brieven van Gorter en Van Deyssel uit te geven waren de laatste rest van grotere plannen om alle brieven van en aan Gorter te publiceren, maar die plannen werden op een schandalige manier gedwarsboomd door wat nu het Literatuurmuseum is, in samenwerking met de weduwe van Enno Endt, die (Endt én de weduwe) ten onrechte claimden de rechten te bezitten op bepaalde brieven van Gorter. Over het dwarsbomen schreef ik in 2014 ‘Bij de geboortedag van Herman Gorter,  honderdvijftig jaar geleden’, de onterechte claim is daar nog niet vermeld, want dat die claim niet klopte ontdekte ik pas later. Een artikel daarover is in voorbereiding.



vrijdag 23 maart 2018


Zijn ze goed, of zijn ze fout. Erich Wichman, Hendrik Marsman, Arthur Lehning en Joris Ivens [2000]


Het moet een merkwaardige stoet zijn geweest daar op de begraafplaats Zorgvlied in Amsterdam, bij de begrafenis van Erich Wichman op 4 januari 1929. Achter de kist liepen in ganzenpas pakweg zeventig mensen. Even later zetten die hun handtekening in het condoléanceregister. Te ontcijferen in het bewaarde register zijn onder meer de namen van Charley Toorop, Jan Engelman, Joris Ivens, Henri Wiessing, Arthur Lehning, Hugo Sinclair de Rochemont, George Labouchere en Chris Beekman.

Misschien zijn er lezers die meteen weten waarom dit een merkwaardige stoet was. Enkelen van de hier genoemden waren de afgelopen jaren regelmatig in het nieuws vanwege aan hen gewijde publicaties of tentoonstellingen. Maar wie deze aandacht heeft gemist en ook wist over wie het hierboven gaat, die is nu, na 125 woorden, nog niet veel wijzer. Dat komt doordat in het bovenstaande de epitheta ornantia ontbreken. De gymnasiasten onder ons kennen het vast nog: het epitheton ornans, het ‘adjectief dat in vaste verbinding met een zelfstandig naamwoord gebruikt wordt tot kenschetsing of versiering', zoals het woordenboek zegt. De vroegere Homerus-lezer weet meestal nog de ‘rozenvingerige dageraad' te noemen. De geschiedschrijving kan niet zonder dit soort categoriserende en waarderende bijvoegsels. Voetnoten, personenregisters en afleveringen van het Historisch Nieuwsblad bevatten ze bij tientallen.

Bij sommige personen is zo’n nadere aanduiding overbodig. In het Historisch Nieuwsblad bijvoorbeeld wordt ‘Jörg Haider' genoemd zonder verdere aanduiding: iedereen weet direct om wie het gaat. Ook ‘Hitler’ en ‘Eichmann’ komen zonder epitheta voor. In een historisch kader bij iemand als Hitler een voetnoot te maken met een objectiverende inhoud als: ‘Duits staatsman (1889-1945), nationaalsocialist, staatshoofd van Duitsland 1933-1945’, zou even potsierlijk zijn als het gevoelsmatig juistere ‘Nazistisch massamoordenaar, verantwoordelijk voor de holocaust’. Gewoon ‘Hitler’ dus, dat is – voorlopig – voldoende.

Gecanoniseerde opvattingen


Maar vaak kunnen historische personen niet zonder nadere aanduiding. Nog niet zo heel lang geleden, toen de ideologische indeling van de wereld zo op het oog nog overzichtelijk was, waren er ook overzichtelijke handboeken voor de indeling van die wereld. Zoals de tientallen delen blauwe Oost-Duitse delen van de werken van de socialistische aartsvaders Karl Marx en Friedrich Engels. De personenregisters in deze boeken bevatten handzame biografietjes van historische personen, waaraan je hun ideologische positie in het marxistische wereldbeeld kon aflezen. Jenny Marx, de vrouw van, heet in zo’n biografietje doorgaans Kampfgefährtin (strijdgenote), net als nog een klein aantal andere getrouwen. Daaromheen had je ‘democraten’, ‘burgerlijke democraten’, ‘kleinburgerlijke democraten’, ‘kleinburgerlijke socialisten’, ‘radicalen’ enzovoort – allemaal niet je dat, vergeleken met Marx en Engels, maar niet zonder meer ‘fout’. Maar soms moest het een beetje genuanceerder. Bijvoorbeeld als er een persoon nader gekenschetst moest worden die een belangrijke rol in het leven van Marx en Engels had gespeeld maar ideologisch met hen in conflict was geraakt. Dan was het handig als een van de heren wel eens iets lelijks over die persoon had geschreven. Als Friedrich Engels over Ferdinand Lassalle schreef dat hij ‘tot 1862 in de praktijk een specifiek Pruisische vulgair-democraat met sterk bonapartistische neigingen’ was, dan wist de gelovige lezer waar hij aan toe was: Lassalle was ‘fout’. Ook ‘fout’ in de MEW (zoals de Marx-Engels-Werke kortheidshalve werden genoemd) waren steevast anarchisten: Pierre-Joseph Proudhon was een ‘ideoloog van het kleinburgerdom’, Michael Bakoenin werd als ‘splijtzwam’ uit de partij van Marx gezet.
Epitheta zijn, of ze nu als ideologisch instrument gebruikt worden of niet, een handig en noodzakelijk, want ordenend, historisch gereedschap. Het zijn bondige en noodgedwongen ongenuanceerde samenvattingen van boekenplanken vol nuances in biografieën, naslagwerken en andere literatuur. Het zijn resumeetjes van gecanoniseerde opvattingen over personen.

Gespannen sfeer


Terug naar de begrafenis van Erich Wichman. Als we de genoemde namen uit het condoléanceregister voorzien van nadere aanduidingen, dan zien we waarom er een gespannen sfeer zal hebben gehangen op Zorgvlied. Wichman, om met de overledene te beginnen, was schrijver en beeldend kunstenaar, Charley Toorop en Chris Beekman waren kunstschilders, Jan Engelman was een schrijver, Joris Ivens een filmer, Henri Wiessing een journalist, zo ook Arthur Lehning op dat moment, Hugo Sinclair de Rochemont was politicus en George Labouchere kunsthistoricus. Maar Wichman was ook een antidemocratische, antisocialistische provocateur, een ‘principiële alcoholist’, een Mussolini-bewonderaar, een vroege fascist zelfs, maar dan een van de anarchistische soort. Links geëngageerd waren Charley Toorop, Chris Beekman, Joris Ivens, Arthur Lehning en Henri Wiessing, maar allemaal op een andere manier. Joris Ivens zou naam maken als filmer die zijn werk in dienst stelde van wisselende communistische idealen, Arthur Lehning werd bekend als pleitbezorger van het anarchisme. Al deze mensen verloren in Wichman een kunstcollega en soms een vriend. Vrienden van Wichman waren ook Jan Engelman en diens niet bij de begrafenis aanwezige vakgenoten Hendrik Marsman en Jacques Bloem, die als conservatieve antidemocraten ook geestverwanten van elkaar en van Wichman waren. Sinclair de Rochemont en George Labouchere tenslotte waren vooraanstaande vroege fascisten. Zij verloren in Wichman een verbaal begaafde en productieve provocateur.

Als we op de diverse leden van dit gezelschap de versierselen ‘goed’ en ‘fout’ proberen te plakken, krijgen we het moeilijk. Met Sinclair en Labouchere zijn we gauw klaar: dat waren echte fascisten. Sinclair sneuvelde als SS’er aan het oostfront. Erich Wichman was ook een overtuigd Mussolini-aanhanger en fascist, maar dan uitsluitend verbaal. Omdat hij in 1929 overleed, kan over zijn politieke toekomst alleen worden gespeculeerd. Een van die speculaties is dat hij vanwege zijn anarchistische levenshouding onder meer totalitaire omstandigheden problemen zou hebben gekregen met het door hemzelf gewilde autoritaire gezag. Wichman is dus wat mij betreft een genuanceerd ‘fout’-geval.

Henny Marsman was verbaal minder radicaal dan Wichman en bovendien niet politiek actief. Maar ook hij was een overtuigd Mussolini-aanhanger en antidemocraat. Marsman kwam echter bijtijds terug van zijn radicale rechtse standpunten en werd een tegenstander van het Duitse nationaalsocialisme. Op de vlucht daarvoor kwam hij in 1940 om het leven. ‘Fout’ begonnen, ‘goed’ geëindigd, zouden we kunnen zeggen. Arthur Lehning levert geen probleem op. Lehning was zijn leven lang een aanhanger van het anarchisme. In tegenstelling tot andere grote ideologieën is het anarchisme er nooit in geslaagd ergens macht te verwerven en heeft dus ook nooit bebloede handen gekregen. ‘Fout’ is Lehning op zijn hoogst voor mensen die vinden dat anarchisten bommengooiers zijn of gevaarlijke utopische dromers. Een gecompliceerd geval is Joris Ivens. Hij heeft politiek gezien altijd bewonderend naar het Oosten gekeken, eerst naar de Sovjet-Unie en later naar China. Op het eind van zijn leven kwam hij tot het inzicht dat die keuze misschien wat minder nadrukkelijk had gekund. Maar is Ivens daarom ‘fout'?

De afgelopen jaren was er, zoals gezegd, veel aandacht voor enkele leden van deze vriendenschaar. In 1998 werd herdacht dat Joris Ivens honderd jaar geleden werd geboren en ook in de jaren daarna verschenen aan hem gewijde boeken. Museum Het Valkhof in Nijmegen organiseerde de aan Ivens gewijde tentoonstelling Passages. 1899 was het geboortejaar van de twee Zeister jeugdvrienden Hendrik Marsman en Arthur Lehning. Aan Marsman werd in 1999 een biografie gewijd. Arthur Lehning kreeg aandacht vanwege de toekenning van de P.C. Hooftprijs 1999 voor zijn essays (waarvan een keuze verscheen); in oktober 1999 vierde hij zijn honderdste verjaardag en op 1 januari 2000 overleed hij. Van Erich Wichman verscheen, zonder jubileum, de verzamelde correspondentie; ook werd er in het Centraal Museum in Utrecht een kleine maar fijne tentoonstelling aan hem gewijd. Zoveel geconcentreerde aandacht vraagt om vergelijkend geblader.

Anti-Ivens-lobby


Wat onmiddellijk opvalt is de belangrijke rol die het archief van Arthur Lehning speelt bij de diverse publicaties over Marsman, Wichman en Ivens. Niet omdat dat archief een schat aan nieuwe gegevens opleverde, maar omdat het door geen van de auteurs kon worden gebruikt. Volgens zijn zoon Percy had Arthur Lehning sinds zijn tweede levensjaar elke snipper papier bewaard. Dan is het zeer spijtig als de toegang tot diens collectie wordt geblokkeerd. Zeker voor de Wichman-briefwisseling geldt dat: volgens geruchten bevat het archief van Lehning zeker honderd brieven van Wichman aan Lehning en andere brieven van en aan Wichman. Het is te hopen dat deze brieven nog eens afzonderlijk als editie verschijnen, want goed gemaakte brievenedities zijn als historische bron vaak verhelderender, nuancerender, informatiever en dus bruikbaarder en nuttiger dan menige mono- of biografie. Uit de Wichman-correspondentie komt, door de kracht van de brieven zelf maar zeker ook dankzij de voorbeeldige bezorging van Joep Haffmans, de moeilijke en schilderachtige figuur Erich Wichman en diens al even gecompliceerde netwerk voor het eerst in al zijn – ‘goede’ en ‘foute’ – facetten duidelijk naar voren. Even zorgvuldig ging Jaap Goedegebuure om met Hendrik Marsman, die voor de meeste mensen gewoon een ‘schrijver’ is en vooral de auteur van het gedicht ‘Herinnering aan Holland’. Met de politieke overtuigingen van Marsman doet Goedegebuure wat hij moet doen: hij noemt ze bij naam, ook als die naam ‘fascistisch’ is. Net als Wichman had Marsman vrienden en kennissen van links tot rechts in het politieke spectrum, en net als Haffmans slaagt Goedegebuure erin deze relaties verhelderend en genuanceerd te beschrijven.

De makers van het – prachtig geïllustreerde – Ivens-boek Passages hebben meer moeite met het politieke verleden van hun held. Een van de auteurs doet er in zijn bijdrage bladzijdenlang over om tot de volgende bekentenis te komen: ‘De historische waarheid gebiedt te zeggen dat Ivens, in tegenstelling tot vele andere links-progressieve intellectuelen, kunstenaars incluis, er langer over heeft gedaan om de grote contradicties in het beleid van de communistische regimes te ontmaskeren.’ Maar in plaats van de consequenties te trekken uit deze constatering en het werk van Ivens te bekijken vanuit zijn niet altijd gelukkige engagement, wordt het tegendeel gedaan. Onder het motto ‘Vergissen is menselijk’ besloten de samenstellers de films van Ivens vooral als kunstwerken te beschouwen, die ook los van zijn politieke bindingen te zien zijn. Marceline Loridon, de weduwe van Ivens, rangschikt in haar voorwoord bij Passages de politieke voorkeuren van Ivens en haarzelf onder de natuurverschijnselen: ‘De wind van de Geschiedenis drukte ons soms tegen de muur.’ Let wel: ‘Geschiedenis’ met een hoofdletter en ‘muur' met een kleine – maar misschien word ik nu wel voorzien van het epitheton ornans ‘lid van de anti-Ivens- lobby’, zoals de critici van Ivens’ engagement bondig worden geoormerkt in een bijdrage aan de bundel Joris Ivens and the Documentary Context.

Fascistische film


Ook tussen de samenstellers van de Ivens-boeken en Joep Haffmans vond informatie- uitwisseling plaats. Haffmans ontdekte namelijk tijdens zijn speurtocht naar brieven van en aan Erich Wichman drie versies van een filmscript (‘De zieke stad’) van Wichman voor een film van Joris Ivens. Haffmans publiceerde twee van deze drie manuscripten, het Passages-boek een van deze twee en de derde versie. In de scriptversies komen enkele verwijzingen naar fascistische thema’s voor. Zo moet volgens Wichman de antidemocratische brochure Voor afbraak van R.F. Groeninx van Zoelen duidelijk in beeld worden gebracht.

Haffmans citeert ook een brief uit 1929 van de classicus en fascist Hubert Cuypers aan de priester en fascist Wouter Lutkie. Daaruit blijkt dat ‘De zieke stad’ geen ‘hilarische onderneming’ was van de ‘onvermijdelijke’ Erich Wichman, zoals het Passages-boek wil – nog na Wichmans dood stond hij bekend als ‘fascistische film’. Er zijn bovendien getuigen van vertoningen in besloten (fascistische) kring. Alles wijst er dus op dat de film, voor een deel althans, daadwerkelijk heeft bestaan en dat Ivens de camera heeft bediend en als acteur optrad. In een voetnoot wordt nog geprobeerd deze feiten op losse schroeven te zetten: ‘Misschien heeft [Henk] De Boer de rol op zich genomen in plaats van Ivens, die wel de opnames gemaakt zou hebben.’ Het zijn geen geweldige argumenten: ‘misschien’ en ‘zou’. De woorden ‘fascistische film’ van Hubert Cuypers worden uiteraard niet geciteerd. Men volstaat met een verwijzing naar de Wichman-briefwisseling, maar helemaal eerlijk is die verwijzing niet. Ze geeft namelijk de pagina's in Haffmans’ boek waar de scripts worden afgedrukt, niet die van de korte biografische schets over Ivens met de hierboven genoemde feiten.

Iets minder subtiel gaan de makers van Passages in de Nieuwsbrief van de Europese Stichting Joris Ivens met Haffmans om. In plaats van hem te complimenteren met de toevoeging van een onbekend werk aan de filmografie van Ivens, krijgt ook Haffmans – met de epitheta ‘jurist en kunstverzamelaar’ terloops nog even als amateurhistoricus gekenschetst – een plaats in de ‘anti-Ivens-lobby’: ‘In de pers werd het script als “fascistisch” bestempeld en trok men de onzorgvuldige conclusie dat daarmee Ivens een fascistische film gemaakt zou hebben. Een omkering van de feiten.’ Die feiten zijn volgens de Europese Stichting Joris Ivens dat Ivens gewoon met Wichman in een dronkenmansbui een ‘kroegfilm’ maakte, ‘waarin kroegtypes en vernieuwende camerabewegingen centraal staan’. In Haffmans’ boek, aldus de Nieuwsbrief, bevat het hoofdstuk over Joris Ivens een aantal ‘onzorgvuldigheden, onwaarheden en vormen van “wishful thinking”’ – met dergelijke formuleringen zijn we toch weer aardig in de buurt gekomen van de personenregisters van de MEW, de Marx-Engels-Werke.

Dat de publicaties over Wichman en Marsman genuanceerder en minder ‘ideologisch’ zijn dan de boeken over Ivens heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat de afstand van de respectievelijke auteurs tot de eerste twee protagonisten groter is dan van de Ivens-auteurs tot hun held. Zeventig en zestig jaar dood is iets anders dan tien jaar. Die tijdspanne speelt ook een rol in de toegang tot archieven. Nog levende directe familieleden zijn om allerlei redenen voorzichtiger met de inzage in de archieven die ze onder hun hoede hebben dan verder verwijderde nazaten. Omgekeerd zullen biografen minder voorzichtig zijn met de reputatie van hun onderwerp wanneer ze geen rekening hoeven te houden met familieleden. Het zou wel eens kunnen dat de wetten van de epithetatoekenning volgens hetzelfde patroon verlopen.

Joris Ivens and the Documentary Context door Kees Bakker (red.), Amsterdam University Press [1999]
Geest, koolzuur en zijk. Briefwisseling van Erich Wichman door F.J. Haffmans (red.), Van Gruting [1999]
Passages. Joris Ivens en de kunst van deze eeuw door André Stufkens (red.), Museum Het Valkhof/Europese Stichting Joris Ivens [1999]

Eerder verschenen in Historisch Nieuwsblad (Amsterdam), jaargang 9 (2000), afl. 4 (mei), p. 44-47, en hier licht redactioneel gewijzigd. Ik had ook gewoon een link kunnen geven naar de website van het Historisch Nieuwsblad (https://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/5476/zijn-ze-goed-of-zijn-ze-fout.html), maar daar worden de gearchiveerde artikelen omringd door wisselende advertenties, ook voor boeken die ik nooit zou aanprijzen. Daarnaast zijn daar de bibliografische gegevens van een aantal genoemde boeken weggelaten.