woensdag 13 september 2017

Schijtlijsters


Ik begon ooit een column (nu ook te vinden op mijn blog, link volgt hieronder) met de volgende zin: ‘Er zijn nog steeds Nederlanders die van Duitsers van nu de fiets van hun grootvader terug willen. In een ik-verhaaltje op de Achterpagina van NRC Handelsblad hoort een lezer of lezeres (ik heb het artikeltje even niet bij de hand) hoe de ene Duitser tegen de andere het woord “Mensch” zegt. En ja hoor: de gedachten gaan meteen terug naar de bezetting, toen hij of zij ook een keer de ene Duitser tegen de andere dat woord hoorde bezigen. De moraal van het verhaal, zo lijkt het: Duitsers kunnen maar beter hun mond houden.’ Het stuk ging verder, vooral met een educatief oogmerk, over het zotte van het gebruik van zogenaamd ‘Gotische’ schrift voor een aankondiging in de VPRO-gids van een tv-documentaire over Mein Kampf, maar wat mij betreft verschilde het niet veel van dat ‘Mensch’-verhaaltje. Allebei de gevallen documenteren wat mij betreft de vanzelfsprekendheid waarmee ‘Duitsland’ nog steeds wordt gereduceerd tot één aspect van de geschiedenis van dat land, ook op een moment dat mensen gewoon hun eigen taal praten.

Ik constateer dat soort dingen wel vaker, maar dan vindt mijn omgeving dat ik overdrijf en dat Nederlanders toch echt niets meer tegen Duitsers hebben. En dan onderdruk ik voor de zoveelste keer mijn neiging om er iets over op te schrijven. Maar soms moet het toch even, zoals nu.
Maandag 4 september j.l. werd het BNNVARA-programma De Nieuws BV (elke werkdag tussen 12.00 en 14.00) vanwege het begin van het nieuwe schooljaar gepresenteerd vanuit een basisschool. Onderdeel van deze uitzending was, bijna op het eind, een nieuwsquiz voor leerlingen en leerkrachten. Een vraag aan de leerlingen ging over de aanstaande Duitse verkiezingen en luidde ongeveer zo: ‘Wie gingen er gisteren met elkaar in discussie, waren dat Angela Merkel en Martin Schulz, of Mieke van der Weij en Peter de Bie.’ Humor. Niet om te lachen was, dat de namen van de twee laatste personen normaal werden uitgesproken, de namen van de Duitse politici daarentegen heel hard, blaffend, zoals in een B-film een slechte imitatie van een Duitse soldaat uit de Tweede Wereldoorlog ‘Ausweis’ of iets dergelijks brult. Dat is al niet grappig wanneer het grappig bedoeld is, laat staan met basisschoolkinderen als publiek.

Ik dacht dus meteen: ik vraag per email de redactie van De Nieuws BV om opheldering. Geen antwoord. De volgende dag herhaalde ik mijn vraag. Weer geen antwoord. Op woensdag ben ik maar eens gaan bellen met de omroep zelf. Eerst kreeg ik een uiterst verveelde telefoniste aan de telefoon, die na een minuutje zoeken verklaarde dat niemand bereikbaar was om mij te woord kon staan. Ik suggereerde dat de juridische afdeling misschien een goed idee was, want het ging toch om een potentiële klacht wegens belediging, of de persafdeling, en dat laatste vond ze wel een idee. De volgende die ik aan de lijn kreeg was een dame die, na mijn uitleg, het programma niet bleek te kennen waarover ik belde, ze was er nog maar net, zei ze, toen ik mijn verbazing daarover uitte. Ze ging overleggen met een collega, maar ze hield haar hand niet goed genoeg op haar microfoontje, zodat ik die collega de woorden ‘een beetje overdreven’ hoorde zeggen. De juffrouw meldde zich weer, noteerde mijn telefoonnummer en beloofde dat ik teruggebeld zou worden. Maar dat gebeurde natuurlijk niet.

Gisteren, een week na de uitzending, heb ik weer eens gemaild, maar ik kreeg opnieuw geen antwoord. Nu ga ik maar eens aan de omroepombudsman schrijven.

Een ander BNNVARA-programma, het consumentenprogramma Kassa, heeft de ‘Schijtlijster Trofee’ in het leven geroepen, voor instanties of organisaties die weigeren, tijdens de uitzending uitleg te komen geven over klachten. Ik ga, nadat ik de omroepombudsman heb geschreven, eens kijken of ik De Nieuws BV hiervoor kan nomineren. Wanneer een bedrijf of een instantie bij Kassa niet komt opdagen, betekent dat over het algemeen dat de klacht terecht was. Daar ga ik dus bij mijn klacht ook maar van uit.

Dit is de link naar mijn eerdere stuk: http://jangielkens.blogspot.nl/2016/06/slecht-geschreven-2011-erzijn-nog.html

[Ook op Facebook, 13 september 2017]

maandag 11 september 2017

Russische notities: niet aanwezig [2010]


Charles B. Timmer (1907-1991), vooral bekend als vertaler uit het Russisch en publicist over Russische literatuur, was veel meer dan dat: hij schreef zelf poëzie en romans, en hij was als zoon van een houthandelaar ook in die sector werkzaam. In 1948 haalde hij zijn vriend Willem Frederik Hermans over om houtcontroleur te worden in Canada en Newfoundland (dat toen nog net geen Canadese provincie was). Hermans hield het vijf maanden uit. Op latere leeftijd ging Timmer nog werken op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (iisg) in Amsterdam. Hij was daar verantwoordelijk voor de publicaties en ook nog tijdelijk adjunct-directeur.
Dat was hij toen ik begin 1978 op de Duitse afdeling van het iisg ging werken. Timmer was toen dus 70, en hij zou nog een paar jaar op het instituut blijven. Omdat ik al snel in de Instituutsraad van het iisg terechtkwam, kreeg ik met hem te maken, en de jeugd en de ouderdom botsten nogal eens. Ik wond me tijdens vergaderingen altijd op over zijn gezucht, dat ik als afwijzende reactie op mijn meningen interpreteerde. Pas toen ik na een verhuizing een paar kamers bij hem vandaan kwam te zitten, begreep ik dat hij altijd zo zuchtte, ook als hij niet vergaderde en alleen op zijn kamer zat, gewoon omdat hij als zeventiger wat minder lucht had.

Wanneer Timmer precies bij het iisg vertrok weet ik niet meer, maar het zal rond 1983 zijn geweest. Het was namelijk niet al te lang nadat ik samen met Ton Naaijkens in 1982 negen gedichten van de Duitse dichter Ernst Meister (1911-1979) had vertaald voor Tirade. Timmer sprak me daar op aan en hij vroeg de originele bundels van Meister te leen, uit belangstelling voor diens mooie gedichten over de dood wellicht, maar misschien ook wel om de vertaling te controleren.

Voor het eerste motief spreekt het feit dat Timmer later in De Tweede Ronde nog enkele indrukwekkende gedichten over het thema dood zou publiceren, voor het tweede zijn controlezucht en correctiedrift. Hij was tenslotte houtcontroleur, vertaler en redacteur. Uit Timmers laatste periode op het iisg herinner ik me het profiel dat hij voor zijn opvolger als hoofd publicaties schreef: het was vele pagina’s lang en vol functie-eisen als de actieve beheersing van een groot aantal talen, waaronder Russisch en Fins, en de passieve kennis van nog vele, vele andere. Aan het profiel, ik zou het graag nog eens lezen, was vermoedelijk alleen door Timmer te voldoen.
Toen Charles Timmer bij het iisg vertrok, liet hij een kast vol drukwerk achter, waaruit de collega’s van de Slavische afdeling de eerste keus hadden. Daarna waren anderen aan de beurt. Ik nam een stapeltje Tirades mee en wat ander drukwerk, allemaal met sporen van de voormalige eigenaar (en af en toe ook van de toenmalige directeur van het iisg, Rein van der Leeuw, die, veronderstel ik, nieuw verschenen Tirade-afleveringen te leen kreeg). Van Timmers redactionele jagersoog zijn in de Tirades allerlei sporen te vinden. In het zomernummer van 1977, waarvan weinig bijdragen een redacteur hebben gezien, streept hij bijna alles aan, in nummer 272/273 van januari/februari 1982 in een essay van H.A. Gomperts niets, behalve een behoorlijke stilistische uitglijder. In aflevering 224 van april 1977 onderstreept hij met rode balpen een verkeerde o in Majokovski en zet hij een vraagteken in de marge, in een Majakovski-vertaling in hetzelfde nummer corrigeert hij een drukfout en in het nawoord van de vertaler, Marko Fondse, verandert hij de sterfdatum van Vladimir Majakovski’s collega Sergej Jessenin van 27 in 28 december. Timmer was graag precies.

Maar niet alleen drukfouten streepte Timmer aan, ook denkfouten. Vier van de tien Tirade-afleveringen die ik indertijd meenam zijn uit 1982, en dat was nou juist het jaar dat Jacques Hamelink en Floris Cohen nieuw in de redactie kwamen naast Herman Verhaar. Uitgever Geert van Oorschot, de ‘tiran van Tirade’ (zo heet een artikel van Ad Fransen in het Van Oorschot-nummer van Zacht Lawijd uit 2005), had zich in 1981 teruggetrokken. In de eerste aflevering onder het nieuwe regime, het al genoemde nr. 272/273, krast Timmer heftig in het programmatische ‘Aan de lezer’-tekst van Verhaar.
‘Russische notities’ heette Timmers vaste rubriek in Tirade sinds 1963 (als ik het goed zie in de onoverzichtelijke Tirade-monografie van Ton Velthuysen uit 1986). Het leuke van de Tirades van Timmer die nu in mijn kast staan is dat die rubriek overal ontbreekt. Niet omdat ze toevallig niet in mijn afleveringen stond, maar omdat Timmer uit alle nummers zijn bijdragen heeft verwijderd. Voor zijn persoonlijke archief, of om uit te delen. En zo liet Timmer, behalve zijn vele vertalingen, niet alleen herinneringen bij een collega na, maar ook leessporen en soms omvangrijke leegtes.

Eerder, op 2 juli 2010, gepubliceerd op www.textualscholarship.nl en hier licht gewijzigd.

donderdag 7 september 2017

Dertien kippen


Handelaren in Aziatisch keramiek doen het met hun tanden, het kritisch zijn. Om vast te stellen of een Kangxi-vaas of een stuk Imari dat ze willen aankopen gerestaureerd is, gaan ze met hun tanden over de verdachte plek: een gerestaureerde plek smaakt anders dan een ongeschonden. Ze zijn kritisch, want hun winstmarge hangt af van de inkoopprijs, en hun klanten, de verzamelaars, willen eigenlijk alleen maar gaaf spul. Wij editeurs zijn ook per definitie kritisch over de handel van de collega’s, en wij zijn dat met onze ogen.
Vaak zijn zwakke plekken in een editie snel te zien. Wie in Een web van dromen. Keuze uit de dagboeken 1960-2003 van de germanist, dichter en vertaler C.O. Jellema (1936-2003) in het register een algemene indruk wil krijgen van de voorkomende personen vangt bot: er is wel iets dat ‘Personenregister’ heet, maar het is er geen. Het gaat – maar dat blijkt pas als je het dagboek hebt gelezen – om een lijst van voor Jellema belangrijke personen die regelmatig voorkomen. Merkwaardig genoeg is de lijst alfabetisch op voornamen geordend, en dat was ik in een boek nog niet eerder tegengekomen.

Wat helaas wel vaker voorkomt, ook in uitgaven met een wetenschappelijke pretentie, is gebrek aan informatie. In dit boek staat wel een uitvoerig overzicht van de achttien cahiers waarin Jellema zijn notities maakte, compleet met data en aantallen pagina’s, maar wat we niet te weten komen is hoeveel er waar in de gedrukte versie is weggelaten. En dat wil je eigenlijk weten wanneer er sprake is van een keuze. Staat er bijvoorbeeld iets voor of na de notitie die is afgedrukt? Het zou iets kunnen zeggen over het gewicht van het genoteerde: was het een van vele gedachten die dag, of was het de enige die de moeite waard was om te noteren?

De levensschets van de Groningse dichtende en vertalende germanist Jellema door bezorger Gerben Wynia is informatief en aangenaam geschreven, maar toch proefden mijn editeurstanden op p. 478 een zwakke plek. Wynia schrijft daar, als het gaat over Jellema’s korte (1969-1971) werkzaamheid aan de universiteit van Utrecht en over zijn nieuwe woonplaats Tull en ’t Waal: ‘Jellema en [diens partner Hans] Stolp delen huis en tuin met dertien kippen, twee hanen, drie kalkoenen, vijf ganzen, twee geiten, een poes, een koerduif en drie honden.’ Die mededeling kwam me bekend voor. Op de flaptekst – die u, als u in een literatuurwetenschappelijk gezelschap bent, ook paratekst mag noemen – van de bundel Tijdverblijf uit 1971 staat namelijk over de auteur: ‘Woont met 13 kippen, 2 hanen, 3 kalkoenen, 5 ganzen, 2 geiten, 1 poes, 1 koerduif, 3 honden (Sebastiaan, Robbeknol, Muis) en Hans in Tull en ’t Waal’. Een tekst die in 1971 bedoeld was, vermoed ik, om de lezer te vertellen dat Jellema een buitenmens was en bovendien homoseksueel, wordt zonder aanhalingstekens en zonder bronvermelding gebruikt als biografisch feit. Hier is sprake van romantisch, laten we het zo maar noemen, en niet van kritisch bronnengebruik. Een kritische blik zou die kippen, hanen en kalkoenen niet zomaar hebben laten voorbijscharrelen. Het is immers niet uit te sluiten dat een van die kalkoenen de Tull en ’t Waalse kerst van 1971 niet overleefde, en van die vijftien kippen en hanen zal er heus wel eens een het leven hebben gelaten door toedoen van een vos of een roofvogel.

Het lijkt misschien niet zo, maar ik kocht dit boek niet om erover te zeuren. Jellema is een interessante schrijver, en bovendien leerde ik hem juist in zijn Utrechtse periode persoonlijk kennen. Hij doceerde in het najaar van 1971 Nederlands aan de vers aangekomen germanisten daar. Blijkbaar was dat nodig. Na de kerst was hij vertrokken, terug naar Groningen, en voor ons studenten gebeurde dat nogal abrupt. Een web van dromen bevat veel mooie dagboekaantekeningen, maar weinig over de Utrechtse periode: in totaal zeven pagina’s. Uit 1969 zijn zelfs maar een paar regels afgedrukt: de notitie van één dag. Graag zou ik als lezer willen weten of dat de enige notitie van dat jaar 1969 is, hetgeen toch opmerkelijk zou zijn. Maar het staat er niet. Het gissen daarover duurt totdat er een volledige, wetenschappelijke editie van de dagboeken van Jellema verschijnt.

C.O. Jellema, Een web van dromen. Keuze uit de dagboeken 1960-2003. Bezorgd door Gerben Wynia. Amsterdam (Querido), 2009 | ISBN 978 90 214 3516 9 | € 24.95

Eerder, op 16 november 2009, gepubliceerd op www.textualscholarship.nl en hier licht redactioneel aangepast.

woensdag 6 september 2017

Doorslaggevend [2012]


1

Met veel moeite zijn een paar flarden van zinnen te ontcijferen: een mevrouw met een Russische achternaam probeert uitgeverij Meulenhoff over te halen een boek uit de Sovjet-Unie uit te geven. Het speelt zich af in Odessa en bevat ‘veel amusante voorbeelden en interessante verwijzingen naar de Russische geschiedenis, kunst en folklore’. Vooral het begin en het eind van de brief zijn vrij ongeschonden te lezen, en dat komt door de drager waarop deze informatie te lezen is: een velletje carbonpapier. Met de informatie die de resten tekst loslaten kan ik niet vaststellen of het boek ooit verschenen is. Ik vermoed van niet.
Het velletje carbonpapier zat met nog honderden andere, gebruikte en ongebruikte, in een paar doosjes van dit antiquarische kantoormiddel die in een kringloopwinkel te koop waren. Recycling puur: iets dat bedoeld was om telkens weer te gebruiken in de hergebruikwinkel. Maar de kans dat het nog eens gebruikt zal worden waarvoor het ooit bedoeld was is klein. Dat ‘ooit’ is intussen al zo lang geleden dat scholieren en studenten van nu verbaasd en geïntrigeerd toekijken wanneer je uitlegt en voordoet wat de bedoeling van dit kantoorartikel was: een kopie maken namelijk, in de vorm van een doorslag.
De doosjes zijn uit de jaren zestig, dat is aan de gedateerde gebruikte doorslagen te zien, maar ook aan de vormgeving van de doosjes en aan de wervende teksten erop en hun gedateerde kwinkslagen: ‘Wat er ook in de sterren verborgen is… Kartro Carbon zal doorslaggevend zijn voor uw administratie en correspondentie’. Ja, dat vonden ze leuk toen, in de jaren zestig. Ik kan me daar nog net van distantiëren, want ik begon pas in de jaren zeventig, als student, met een typemachine te werken en dus carbonpapier te gebruiken.

Ver vóór die tijd en nog tot ver in de jaren negentig, toen de kopieertoestellen en de printers beter werden, hadden scholieren, studenten, wetenschappers, vertalers, secretaresses, kortom iedereen die een kopie wilden bewaren van een brief, een werkstuk, een artikel of een boek, elke dag carbonpapier nodig. Het was een routinegebaar: je nam een blad blanco papier, legde daar een velletje carbonpapier op, daarbovenop een ander blanco blad en je draaide het in je mechanische of elektrische schrijfmachine. Maar het hoefde niet bij één kopie te blijven.
De carbonpapierdozen van de Amsterdamse firma Kartro maken reclame voor allerlei soorten carbonpapier: met Carborex Special kunnen 1 tot 4 doorslagen worden gemaakt, maar met Carborex Standard Tien 10 tot 20. En dat allemaal omdat alle carbonsoorten van de firma Kartro zijn veredeld met Siliconol-B. Het bedrijf had niet voor niets vestigingen van Wenen tot Santiago de Chili. Een tekeningetje van de fabrieksgebouwen in São Paulo siert het verpakkingsmateriaal, op de voorkant waarvan een charmante secretaresse ons toelacht.

Willem Frederik Hermans was een jaar of vijftig lang een grootverbruiker van carbonpapier. Alleen al voor de doorslagen van zijn vele duizenden brieven heeft hij er tientallen dozen van doorheen gejaagd. Uiteraard gebruikte hij carbonpapier ook bij het schrijven van zijn boeken. Heel soms is dat carbonpapier de enige bron voor een bepaald stadium van een tekst. Bijvoorbeeld bij het aforismenboekje Dinky Toys, waarvan Hermans in 1976 voor zijn eigen Mandarijnenpers ongeveer zestig exemplaren op een vloeistofduplicator (die ook met carbonpapier werkte) vermenigvuldigde. In het archief van de auteur zijn vijf bladen carbonpapier overgeleverd, met daarop in totaal achtendertig van de ruim tweehonderd aforismen. De originelen functioneerden waarschijnlijk als vellen voor het door Hermans zelf op maat gesneden en gebrocheerde boekje. Een handelseditie van Dinky Toys verscheen in 1988, nu staat het boekje in deel 11 van de Volledige Werken (2008). Daar en op de bijbehorende website meer over Dinky Toys en over deze velletjes carbonpapier.

Doorslagen maken we niet meer, maar toch gebruiken we het woord nog dagelijks, wanneer we e-mails sturen namelijk. In het Engels is een doorslag een ‘carbon copy’ – de afkorting daarvan: cc.

            2
Maarten van Rossem zei het ooit in een interview: je kunt over alles een proefschrift schrijven, ook over doorzichtig plakband. Hij had ook carbonpapier kunnen zeggen. Of punaises. Ik kom op punaises omdat ik laatst een bureaustoeltje uit de jaren dertig kocht. Over de zitting was een grijze manchester stof gespannen die er oorspronkelijk niet op zat. Dat was goed te zien, want de lap was aan de onderkant vastgezet met een veertigtal punaises, punaises uit de tijd van het stoeltje, waaronder een paar hele mooie van hetzelfde merk als het stoeltje: Ahrend. Je gaat er spontaan van nadenken over de geschiedenis van de punaise, en het kan niet anders of Wikipedia levert zo’n geschiedenis: de punaise zoals we haar nu kennen, het hoedje met de pin, werd begin twintigste eeuw in Duitsland uitgevonden door de horlogemaker Johann Kirsten, die het patent verkocht aan de gebroeders Lindstedt, die bij hem in de buurt in Noord-Duitsland woonden en die er stinkend rijk mee werden. Een proefschrift over de punaise wordt niet vermeld.
Het carbonpapier heeft natuurlijk ook zijn Wiki-pagina’s, maar veel leuker is het artikel ‘The Exciting History of Carbon Paper!’ van Kevin Laurence. Ook hij noemt geen proefschrift in zijn literatuurlijst, maar wel boeken met prachtige titels als Pulp & paper dictionary van John R. Lavigne uit 1993 en The origin of stencil duplicating van W.B. Proudfoot uit 1972. Artikelen uit het periodiek The Type Writer: Journal of Writing Machine Technology and History hebben titels als ‘Carbon paper and the typewriter ribbon’ (David Sheridan, 1991) en ‘Wedgwood’s carbon paper of 1806’ (Michael Adler, 1990). Van deze Adler wordt ook het standaardwerk The writing machine genoemd, een boek dat Willem Frederik Hermans graag paraat had wanneer hij over schrijfmachines schreef.
De eerste keer dat de term carbonpapier werd gebruikt was in 1806. Toen patenteerde de Engelsman Ralph Wedgwood de ‘Stylographic Writer’, een methode die blinden moest helpen bij het schrijven. Hiervoor was carbonpapier nodig. Wedgwoods Italiaanse collega Pellegrino Turri bedacht rond dezelfde tijd een soortgelijke methode, en dat deed hij om een speciale reden: hij was verliefd geworden op een blinde dame, die de rest van haar leven op deze manier brieven zou schrijven. Niet veel later ontstond het kopijboek: de manifold writer noemde Wedgwood het. De eindresultaten uit zo’n kopijboek komen we in negentiende-eeuwse archieven vaak tegen als halfvergane en slecht leesbare velletjes, want wat in het kopijboek achterbleef (of er werd uitgescheurd en apart bewaard) was een flinterdun papiertje dat langzaam door de doorgedrukte inkt van het carbonpaper werd opgevreten.
Complete kopijboeken, zoals ze uit de vroeg-negentiende-eeuwse kantoorboekhandel kwamen, zijn schaars, zo laat een rondgang door de wereldwijde bibliotheekcatalogi zien. Het exemplaar dat ik hier voor me heb is van 1832 of eerder, de vroegste datering van een doorslag is in elk geval uit dat jaar. We zien een stevige halfleren map, quartoformaat, met gemarmerde platten. De voorkant leert ons dat we te maken hebben met de H. Dixon’s improved manifold writer for writing and copying letters, invoices, &c. with durable pen and ink, verschenen ‘Under the immediate patronage of His Royal Highness the Duke of Sussex’. Voorin de map zit een vakje met een metalen plaat (om onder de te schrijven brief, het carbonpapier en het doorslagpapier te leggen ter bescherming van het papier eronder) en een vloeiblad, en in een leren lusje zit de metalen stift (want met een ganzenveer kun je niet doordrukken). In een ‘Carbonic book, to preserve the carbonic leaves in’ zitten inderdaad nog een stuk of vijftien velletjes carbonpapier, de meeste ongebruikt. Het volgende onderdeel is het boekje met de doorslagvelletjes, met een prachtig gemarmerd omslag. Op het vakje met de metalen plaat en het vloeiblad zit de gebruiksaanwijzing geplakt, in het Frans en het Engels.
Het kopijboek was geen succes bij de familie die dit exemplaar in gebruik had: slechts weinige bladzijden zijn beschreven. Vier zijn er gevuld met een reisverslag, zes met twee brieven uit 1832 resp. 1834 en nog eens vier met schrijfoefeningen van kinderen. Daarna werd de map blijkbaar ergens opgeborgen, om bijna twee eeuwen later weer te voorschijn te komen. Zelfs het groene lint om de map dicht te binden is nog in een nette staat.

Het bovenstaande is samengesteld uit twee artikelen, eerder op 4 januari resp. 13 februari 2012 gepubliceerd op www.textualscholarship.nl en hier minimaal redactioneel aangepast.

vrijdag 1 september 2017

Baudelaire in het veilinghuis: een ‘originele editie’ van Les Fleurs du mal? [2009]


Berichten over dure boeken op veilingen in de pers: meestal is het bladvulling. Zoals het stukje van net vijftig woorden in NRC Handelsblad, dat er op een veiling in Parijs op 1 december 2009 een ‘originele editie’ uit 1857 van Les Fleurs du mal van Charles Baudelaire is verkocht voor 775.000 euro.
       Een ‘originele editie’? Eentje met feestmuts en een pikante foto van Carla Sarkozy? ‘Edition originale’ zal er in het persbericht van Agence France-Presse hebben gestaan: en dat is correct vertaald ‘eerste druk’. Waarom is deze eerste druk zo bijzonder dat hij net zoveel kost als een bescheiden bankiers-bonus? De website van het in het berichtje niet genoemde Parijse veilinghuis Gros & Delettrez geeft, eenmaal gevonden, helderheid. In een aparte Baudelaire-catalogus met 176 lots wordt lot 80 uitgebreid beschreven. Deze ‘édition originale’ van Les Fleurs du mal is opgedragen aan Narcisse Anselle, Baudelaire’s vriend en latere curator, en bovendien heeft de auteur er een aantal handschriftelijke correcties in aangebracht. Een ‘gewoon’ exemplaar van deze eerste druk, die in elfhonderd exemplaren verscheen, bracht, ter vergelijking, in juni 2009 € 11.000 op bij Christie’s in Parijs.
Bij de New Yorkse Christie’s-collega’s werd op 4 december 2009 een exemplaar van Edgar Allan Poe’s bundel Tamerlane and other poems uit 1827 geveild voor omgerekend bijna € 450.000, zo meldt de teletekst van de VRT, en ook zij noemen het veilinghuis niet. Maar nu wordt in het berichtje wel aangegeven waarom dit zo’n bijzonder boek is: er waren er tot nu toe maar twaalf van bekend. Wie een mooie beschrijving van een boek wil lezen kan hier terecht, maar dat mag dan ook wel met een verwachte opbrengst waarvan het opgeld een aanzienlijk deel van het jaarsalaris van de medewerker betaalt die zich met dit boek bezighield. Deze Tamerlane is niet in vetvrij papier bewaard in een brandkast, maar gelezen, verplaatst en gebruikt. Dat heet in de beschrijving heel mooi: ‘An entirely unsophisticated copy’.
De catalogus van Christie geeft een overzicht van alle acht de voormalige eigenaren en van de huidige vindplaatsen van de overige twaalf exemplaren. De British Library heeft er een, de rest is in de Verenigde Staten, maar een van deze elf is kwijt. Er zijn waarschijnlijk maar vijftig exemplaren van Tamerlane gedrukt, en dit boek is het enige dat van de drukker-uitgever, Calvin F.S. Thomas, bekend is.
       Hoe zit het eigenlijk met Nederlandse negentiende-eeuwse auteurs op veilingen? Lot 2861 van de laatste veiling van Bubb Kuyper in Haarlem, eind november 2009, bestond uit 13 boeken: het debuut van François HaverSchmidt/Piet Paaltjens in de Leidse Studenten-Almanak voor het jaar 1856, een tweede druk van Snikken en Grimlachjes uit 1871 en nog 11 boeken van en over HaverSchmidt. Opbrengst inclusief opgeld: € 260. In lot 2869 zat van J. Kneppelhout een eerste druk van de Studenten-typen uit 1841, een van De studenten en hun bijloop (1844) en nog 3 andere Klikspanen, samen voor nog geen € 140. Een net exemplaar van de beroemdste Nederlandse roman uit de negentiende eeuw, Max Havelaar, samen aangeboden met een eerste druk van Minnebrieven (1861) en Dik van der Meulens Multatuli-biografie, bracht als lot 2879 € 660 op en was het duurste negentiende-eeuwse literaire boek op de veiling.
       De 176 lots van de Parijse Baudelaire-veiling hadden een totale opbrengst van 4 miljoen euro. Er zaten nog meer leuke stukken bij, zoals het opdracht-exemplaar van Baudelaires roesboek Les Paradis Artificiels. Opium et Haschisch (1860) aan, nota bene, zijn moeder, dat ongeveer de helft van de Les Fleur du mal deed, en een brief uit 1845 van Baudelaire aan Narcisse Ancelle die als ‘zelfmoordbrief’ bekend staat, geschreven tweeëntwintig jaar vòòr de werkelijke en alsnog vroege dood van de zesenveertigjarige Baudelaire. Deze brief bracht € 65.000 euro op. Voor 1 procent van dit bedrag waren bij Bubb Kuyper drie brieven van Willem Frederik Hermans aan Jaap Goedegebuure te koop. Wat zou de Baudelaire-fan Hermans hiervan nou gevonden hebben?

Eerder, op 7 december 2009, gepubliceerd op www.textualscholarship.nl en hier licht redactioneel gewijzigd. Van de links die ik bij het artikel publiceerde werkt alleen de Poe-verwijzing nog: www.christies.com op 1 september 2017.

donderdag 31 augustus 2017

Is Jacques Pressers Homo submersus. Een roman uit de onderduik een editie? [2010]


‘Geen idee, nooit geprobeerd’ – zo moet ongeveer, ooit, het antwoord van Harry Mulisch hebben geluid op de interviewvraag of hij viool kon spelen. Theoretisch zou het natuurlijk kunnen: dat iets wat je nog nooit hebt gedaan je goed afgaat, maar bij vioolspelen is de kans erg klein. Loop maar eens over de Koninginnedagvrijmarkt en luister naar de jongens en de meisjes die al een tijdje les hebben en desondanks alleen hoog scoren in de categorie aandoenlijk. Ze doen hun best en krijgen daarom af en toe een muntje in hun centenbakje.
Onlangs, al weer jaren geleden
Het was toevallig op Koninginnedag 2010 dat Philo Bregstein, kenner van leven en werk van Jacques Presser (1899-1970), in NRC Handelsblad een ingezonden brief publiceerde naar aanleiding van een recensie door Elsbeth Etty van de publicatie kort daarvoor van Homo submersus, een eerder ongepubliceerd gebleven onderduikroman van de historicus en schrijver Presser. Etty had haar twijfels over de kwaliteit van het boek geuit; ook had ze zich afgevraagd of het bewaarde typoscript wel tijdens de onderduik is vervaardigd, zoals in de begeleidende teksten van het boek wordt beweerd.
       De twijfel van Etty zal zijn vergroot door de aandacht in de pers rond het verschijnen, die sprak van een bij toeval teruggevonden typoscript dat al jaren kwijt was. In een ‘Woord vooraf’ bij het boek zegt Frans Bijlsma namens de erven-Presser: ‘Na enig speurwerk dook onlangs een kopie van dit typoscript op’, maar Bregstein (die in het boek bedankt wordt en dus op de een of andere manier betrokken was bij de totstandkoming ervan) zegt in zijn ingezonden brief dat er ‘al weer jaren geleden’ een carbondoorslag van het typoscript werd gevonden. Als argument tegen de twijfels van Etty over de authenticiteit van het typoscript zegt Bregstein: ‘De fotokopie van de carbondoorslag komt volstrekt authentiek over’. Maar zo’n argument helpt natuurlijk niet als je twijfels wilt wegnemen, want niet de fotokopie moet authentiek zijn, wel dat wat gefotokopieerd is. Bregstein is, hoewel hij dus bij de publicatie betrokken was (hij sprak ook tijdens de presentatie van het boek op 22 april 2010), blijkbaar niet in staat gesteld de originele doorslag te bekijken. Een fotokopie van de doorslag, dat zegt de boekuitgave van Homo submersus, kunnen ook wij gewone burgers op het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie gaan inzien, net als – en alweer is de informatie vaag – een digitaal bestand. Maar een digitaal bestand waarvan? Zijn het scans van de bewaarde doorslag? Maar dan kun je die ook uitprinten en dan hoef je geen fotokopieën te laten zien. Een Word-versie van de tekst? Daar is de in het boek gepubliceerde tekst het resultaat van, de inzage daarvan levert dus ook niets op.
       Bregstein vermeldt in zijn ingezonden brief een jarenlange zoektocht naar een uitgever voor Homo submersus. Dat spreekt dan weer voor het feit dat de doorslag al ‘jaren geleden’ gevonden is, want je gaat niet jarenlang op zoek naar een uitgever voor een boek dat je nog niet hebt gevonden. Uitgeverij Boom was uiteindelijk bereid, zij gaven het boek uit ‘zonder subsidie en met grote toewijding’. En daar zijn we weer bij Harry Mulisch en op de vrijmarkt: goede voornemens en toewijding alleen helpen niet bij het vioolspelen, en ook niet bij het maken en het uitgeven van een editie. Je moet weten wat je doet. Dat dat bij dit boek niet het geval was wil ik hieronder aantonen. De literaire kwaliteit en de kwestie van de authenticiteit laat ik hier buiten beschouwing.

De samenstellers

Wie heeft deze uitgave eigenlijk gemaakt? Op de titelpagina staat: ‘Ingeleid en geannoteerd door Nico Markus’. (Op die titelpagina staat overigens ook een hele hoop niet wat daar gewoonlijk wel staat, zoals de naam van de uitgever, de plaats en het jaar van verschijnen – maar dit terzijde). Nico Markus lijkt dus verantwoordelijk voor het bezorgen, maar hij is het niet. Er blijken ook ‘samenstellers’ te zijn, want ‘De samenstellers’ bedanken Markus in het dankwoord achterin het boek voor zijn bijdrage. Ook bedankt worden Frans Bijlsma, die namens de erven-Presser het al genoemde ‘Woord vooraf’ schreef, en Laura Weeda en Marlies Enklaar, de ‘editeurs en redacteurs van de leestekst’. Deze zelfde twee dames worden ook in het colofon genoemd als verantwoordelijk voor editie en redactie, maar daar zijn ze vergezeld van Marrigje Paijmans. Verdient Marrigje Paijmans geen dank? Of is zij ‘De samenstellers’? Het wordt niet duidelijk. Ook niet duidelijk wordt wat het precies betekent dat alleen de leestekst editeurs en redacteuren nodig had en niet de bron die daaraan ten grondslag ligt, namelijk het typoscript. En waarom worden ‘editie’ en ‘redactie’ telkens in één adem genoemd? Wordt hier misschien onder ‘editie’ de transcriptie begrepen en onder ‘redactie’ dat wat je vervolgens met die getranscribeerde tekst doet? Dat zou een misvatting zijn.
       Er worden nog meer mensen bedankt, onder anderen iemand die ‘de verantwoording van de editie heeft gekeurd op haar editie-technische kwaliteit’. Ik vermoed dat deze persoon de definitieve versie van de verantwoording niet heeft gezien, want anders had hij er wel voor gezorgd dat zijn functie en de naam van zijn universitaire vakgroep correct werden weergegeven. We krijgen niet te lezen of de keuring van de verantwoording positief is uitgevallen, en ook niet waarom alleen de verantwoording is gekeurd en niet het resultaat van het editeerwerk. Of beter: of er gekeken is naar de relatie tussen verantwoording en resultaat. Want die twee moeten natuurlijk iets met elkaar te maken hebben. De verantwoording van een wetenschappelijke editie moet, om het heel kort en bondig te formuleren, alles uitleggen wat er in die editie gebeurt, en wat er in de editie gebeurt moet altijd in de verantwoording terug te vinden zijn. En dat is hier duidelijk niet het geval. Zo hoort in een verantwoording (of anders elders in een editie) een fysieke beschrijving van de bron; die is er in Homo submersus wel, maar onvolledig. De omvang ontbreekt bijvoorbeeld. Die kunnen we alleen vermoeden en concluderen uit het bijschrift bij een facsimile van de, volgens dat bijschrift, laatste pagina van het typoscript, en die laatste pagina draagt het paginacijfer 217. Maar dan weten we nog niets over de omvang van het typoscript, want er zouden best nog pagina’s, lege bijvoorbeeld, na 217 kunnen zijn, en ook vóór p. 1. Die p. 1 wordt eveneens afgebeeld, maar het onderschrift daarvan stuurt ons weer het bos in: ‘De eerste pagina van het typoscript Homo submersus, p. 7’. Er wordt ook nergens gemeld of het typoscript wel volledig gepubliceerd is.
       Wat in de verantwoording wél wordt gezegd staat vol misvattingen. Er staat bijvoorbeeld: ‘Er is maar één versie van Homo submersus overgeleverd en dat is de doorslag van het typoscript.’ De doorslag van het typoscript dus. Maar wie zegt dat er niet meer dan één doorslag heeft bestaan en meer dan één typoscript? Een betere formulering zou dus zijn: ‘een doorslag van een typoscript’. De volgende zin is: ‘Deze doorslag bevat twee lagen, want er zijn tussen de regels en in de kantlijn aantekeningen gemaakt met de pen.’ Met ‘lagen’ is bedoeld schrijflagen, en ook hier is de fermheid link, want er zouden ook meer dan twee schrijflagen kunnen zijn: niemand kan immers navertellen of Presser niet diverse keren op verschillende tijdstippen met dezelfde pen aanvullingen heeft aangebracht op de bewaarde doorslag. Want om aanvullingen gaat het, niet om ‘aantekeningen’: het zijn correcties of stukken tekst die, omdat het doorslagpapier te kort was, met een pen zijn aangevuld – zo lijkt het op grond van wat is af te lezen aan de afgebeelde typoscriptbladen. Deze aanvullingen zijn, weer volgens de verantwoording, ‘meteen na het typen aangebracht, want vaak betreft het de tekst die rechts of onderaan buiten het typevel valt’. Dat ‘want’ is de volgende misvatting, want hoe kun je dat met zekerheid weten? Elders in deze uitgave wordt het voorbeeld gegeven van een heel hoofdstuk van een boek dat tijdens de onderduik kwijtraakte en dat Presser na de oorlog opnieuw schreef. Dat zou toch hier ook het geval kunnen zijn?’ In Homo submersus staan drie facsimile’s van typoscriptpagina’s, twee ervan zijn hierboven al vermeld. De derde is interessant, omdat dat een voorbeeld is van een pagina met aanvullingen. Maar weer is het bijschrift misleidend: ‘Pagina 39 van het typoscript. De tekst die per ongeluk buiten het vel is getypt, werd er door Presser in de marge bijgeschreven, voorafgegaan door “stommiteit”.’ Mijn eerste indruk, en die van een aantal mensen die ik om hún indruk vroeg, was dat Presser zich hier een rund vindt omdat hij doorslagpapier heeft gebruikt dat niet lang genoeg is. Maar in feite gaat het om twee aanvullingen, die van het woord ‘stommiteit’, dat was vergeten in een zin, en die van een langer stuk dat door het te korte carbonpapier was weggevallen.
       Niet alleen in de verantwoording worden onduidelijke mededelingen over de bron van dit boek gedaan, ook in de inleiding van Nico Markus. Op p. 25 daarvan staat: ‘Op 15 november 1943 schreef Presser de eerste bladzijde van zijn roman Homo submersus.’ Maar is dat zo? Homo submersus begint met een ‘Aantekening van 15 November 1943’, waarin Presser iets zegt over de relatie werkelijkheid/fictie: ‘er bestaat natuurlijk een betrekking tussen de werkelijkheid en de voorstelling in dit boek van haar gegeven’. Hij wist dus bij het begin van zijn schrijfproces dat dit zo zou zijn? Dat kan, maar hij kan de ‘Aantekening’ natuurlijk ook later hebben toegevoegd en maar doen alsof hij zo begon. Hij deed immers ook vanaf november 1943 alsof hij vanaf mei 1943 een dagboek bijhield. En schreef Presser de eerste versie van Homo submersus nu met de hand of niet? Markus schrijft: ‘Begin april 1944 was de kladversie van Homo submersus af, waarna Presser het typoscript tot half september 1944 keurig uittypte.’ Ik concludeer dan in eerste instantie: er was een slordig typoscript, dat typte Presser over, en toen was het typoscript ‘keurig’. Maar als ik dan de facsimile-pagina’s bekijk, dan denk ik: hoezo ‘keurig’, met al die doorhalingen?

Weggewerkt

Terug naar de verantwoording. Wat staat daar nog meer? De eerste zin luidt: ‘Een zogeheten editio princeps brengt de verplichting met zich mee de authentieke bron zo getrouw mogelijk weer te geven.’ Nu is ‘editio princeps’ een nogal dure term in de omgeving van een uitgave die, zoals in de volgende zin staat en zoals bijvoorbeeld ook uit de toon van de inleiding blijkt, bedoeld is voor een ‘breed en divers publiek’. Maar erger is de implicatie van deze zin: dat je blijkbaar bij edities die een bron niet voor het eerst publiceren wat minder getrouw te werk kunt gaan. Nog een zin roept vragen op: ‘Pressers montere en persoonlijke schrijfstijl in Homo submersus maakt dat er weinig ingrepen nodig waren om de tekst voor hedendaagse lezers te ontsluiten.’ Ook hiervan is de implicatie curieus: dus als Presser somber en/of onpersoonlijk had geschreven, had er wel veel ingegrepen moeten worden? En hoezo ‘weinig ingrepen’? Als ik de tekst van de eerste pagina van het facsimile naast de gedrukte versie ervan leg, die bijna twee gedrukte pagina’s beslaat, dan komen daar vijfenvijftig ingrepen in voor. Dat lijkt mij niet ‘weinig’. Het grootste gedeelte, namelijk zesendertig, is overigens telkens dezelfde ingreep: het veranderen van y in ij. Dat is een legitieme ingreep – maar: dan moet je dat wel in de verantwoording melden. Dat gebeurt niet, en we komen ook niet te weten waarom ‘kroniek’ in de ondertitel van de geëditeerde tekst met een kleine letter k begint, en niet, zoals in het typoscript, met een hoofdletter, volgens welke regel de datum ‘15.11.’43’ in ‘15 November 1943’ wordt veranderd en waarom ‘cum grano salis’ aanhalingstekens krijgt die er in het typoscript niet staan. (Schot voor de boeg: in de annotatie bij ‘cum grano salis’ staat deze uitleg: ‘cum grano salis: Latijnse term voor “met een korreltje zout nemen”’; behalve dat ‘cum grano salis’ in dit geval wél tussen aanhalingstekens had moeten staan – je citeert immers de tekst – is het toch eerder zo dat ‘met een korrel zout’ een Nederlandse vertaling is van het Latijn, en niet andersom? En waar staat ‘nemen’ in het Latijn?)
       Enkele andere ingrepen op deze eerste twee pagina’s worden in de verantwoording wél aan de orde gesteld. ‘In de interpunctie,’ zo wordt er gemeld, ‘zijn stilzwijgend ingrepen gedaan om het leesgemak te vergroten.’ Op de eerste twee pagina’s wordt dat zeven keer gedaan, maar ik zie bij geen enkele van deze zeven keer een reden tot het vergroten van het leesgemak. Eén voorbeeld. Dit staat er in het typoscript: ‘En zit met een dagboek voor zich, precies een puber, die met zyn overkolkende gevoelens geen raad meer weet, de puber, die ik trouwens zelf niet lang geleden geweest ben.’ In de gedrukte versie is het dit geworden: ‘En zit met een dagboek voor zich, precies een puber die met zijn overkolkende gevoelens geen raad meer weet, de puber die ik trouwens zelf niet lang geleden geweest ben.’ Het kommagebruik in het typoscript van Presser is dat van zíjn tijd, en het verschil met het kommagebruik van tegenwoordig is dat er nu minder komma’s worden gebruikt. Van die komma’s van Presser moet je als editeur afblijven: er wordt geen fout gemaakt waardoor we de tekst verkeerd zouden kunnen begrijpen, want dat zou een reden kunnen zijn om in te grijpen. En dat ‘leesgemak’? Heeft dat woord in een wetenschappelijke editie wel iets te zoeken? Voor de makers van dit boek was het een vrijbrief om vierhonderd bladzijden lang een tekst te bewerken volgens de huidige redactiecultuur.
       Opvallend zijn ook de ingrepen die naamvalsverbuigingen betreffen, en dit is de uitleg ervan: ‘Naamvalsuitgangen (“den”, “ener”, “wien”, “welker” [...]) zijn in de leestekst weggewerkt om aan hedendaagse lezers tegemoet te komen.’ Weer staat er een merkwaardig woord: ‘weggewerkt’. In een editie werk je niets weg; je grijpt in en verantwoordt dat. Maar waarom wordt er hier eigenlijk ingegrepen als je eerder hebt gemeld: ‘Om recht te doen aan het taaleigen van de auteur en het historische karakter van de tekst, is er niet herspeld’? De cursivering van dat ‘niet’ is van mij. Wat blijft er van het historische karakter van een tekst over als je alle fenomenen daarvan verwijdert? En dan toch af en toe laat staan, want op deze regel is een uitzondering geformuleerd: ‘naamvalsuitgangen in staande uitdrukkingen en archaïsche constructies die spot of eerbied uitdrukken zijn gehandhaafd (“Na den eten gingen de mannen een sigaret roken in de studeercel…”).’ Deze voorbeeldzin is niet handig gekozen, want bij welke categorie hoort ‘na den eten’? Drukt dat spot uit? Of eerbied? Is het dialect? Of is het mislukte humor? Op de eerste pagina van de romantekst staan drie van deze ingrepen: ‘dier betrekking’ is ‘van die betrekking’ geworden, ‘den schrijver’ werd ‘de schrijver’ en ‘in welks boezem’ bleef onveranderd, en dat laatste is vermoedelijk vanwege de ‘spot’ die er in gelezen wordt. Maar hoe zit dat dan met ‘dier betrekking’? Is dat dan niet spottend? Ik denk dat het voor Presser net zo neutraal en normaal was als ‘in welks boezem’. Bij ingrepen in een te editeren tekst geldt net als bij rechtszaken: bij gerede twijfel is het voordeel aan de verdachte.

Evidente vergissingen

Hierboven is al geconstateerd dat het bij deze uitgave erg onduidelijk is wie er verantwoordelijk voor is. Duidelijk lijkt wel de rol van inleider Nico Markus, die de inleiding en annotaties voor zijn rekening nam. Vreemd genoeg is Markus de enige van alle bedankten en genoemden die al eerder een editie gepubliceerd heeft: ‘Waarom schrijf je me nooit meer?’ Briefwisseling Henriette Roland Holst – Henk Sneevliet (Amsterdam: Stichting beheer IISG, 1995). Maar met de tekstconstitutie van Homo submersus lijkt Markus niets te maken te hebben. Toch gaan sommige van zijn annotaties erover. Bijvoorbeeld bij op p. 294. Daar staat ‘appeleerde’. Markus annoteert: ‘bedoeld is: “appelleerde”; spelfout Presser’. Maar in de verantwoording staat toch: ‘Evidente vergissingen van de auteur, zoals typefouten, zijn gecorrigeerd’? Waarom deze spelfout/typefout dan niet? Bij een zin op p. 237 annoteert Markus: ‘in het typoscript stond hier: “De post had mij een laconiek berichtje van Frits gebracht,” maar dat klopt niet met het vervolg van de zin.’ Op p. 237 lees ik: ‘De post had mij een laconiek berichtje van Frits gebracht’. Dat lijkt mij dezelfde zin. En waarom die niet klopt met het vervolg van de zin wordt niet uitgelegd.
       De annotatie bij Homo submersus bevat nogal wat feitelijke onjuistheden. Ik graai wat in mijn aantekeningen. Het is ‘Requiescat in Pace’, niet ‘Resquiscat in Pacem’; de roman Nana van Emile Zola gaat over een prostituée, niet over een prostitué; Karl May schreef geen jongensboeken maar avonturenromans; het is kunstgalerij, niet kunstgallerij, en daar hangt ook niet het schilderij De schilderkunst van Vermeer, maar ‘De schilderkunst’ van Vermeer; Woutertje Pieterse van Multatuli (twee delen, ruim 700 p. in de eerste druk uit 1890) is geen ‘verhaal’; het is Dèr Mouw, niet der Mouw; het personage Brian de Bois-Guilber uit Ivanhoe van Walter Scott heeft een t op het eind van zijn achternaam, en de roman waarin hij voorkomt is uit 1820, niet uit 1890. Deze laatstgenoemde fout had misschien vermeden kunnen worden wanneer bij Walter Scott diens leefjaren waren vermeld. Scott overleed in 1832, en dan is een publicatie zeventig jaar later wat minder waarschijnlijk. Leefjaren worden in de annotaties bij Homo submersus bij veel personen vermeld, maar niet bij allemaal, en systeem is daarin niet te ontdekken. Bij annotatie, niet alleen in een editie, is uniformiteit nodig, want uniformiteit geeft de lezer houvast. Maar niet alleen uniformiteit doet dat. Er moet ook een bepaalde consistentie in de verstrekte informatie zitten: je moet zo mogelijk voordat je begint (en zeker voordat je klaar bent) bepalen wat je precies wilt annoteren en op welk niveau je dat doet. Aan welke lezers wil je informatie verstrekken, aan scholieren bijvoorbeeld, aan het vaak genoemde ‘NRC-publiek’, aan academisch gevormde lezers? De toon van de inleiding en de annotaties, gecombineerd met het feit dat de uitgegeven tekst gemoderniseerd is, wijst erop dat hier een zeer breed publiek moest worden aangesproken.
       Belangrijk bij het maken van annotatie is de vraag wat je niet annoteert. Een grondregel uit het pre-digitale tijdperk was: over alles wat je ook redelijkerwijze in algemeen toegankelijke en gangbare naslagwerken kunt vinden, zoals de Van Dale, de Winkler Prins etc., hoef je geen voetnoot te maken. Die regel was zo slecht nog niet, en we hebben tegenwoordig natuurlijk nog veel meer informatiesystemen tot onze beschikking die de lezer net zo gemakkelijk kan gebruiken als de editeur. Er kan dus vaker worden volstaan met basale informatie, die de lezer op weg kan helpen specifieke onduidelijkheden in de tekst te begrijpen. Laten we eens kijken hoe Homo submersus het doet. Op p. 107 heeft Presser het over Delft, ‘waar de kunst van Vermeer, De Hoogh, Fabricius als een wonderlijke vegetatie uit is opgebouwd’, en dan komen wat planten waarmee hij deze schilders vergelijkt. Bij deze tekst staat de volgende annotatie van Markus: ‘Carel Fabritius (1622-1654), Nederlandse kunstschilder; leerling van Rembrandt die in Delft een eigen stijl ontwikkelde’. Dit allemaal kan de lezer ook op internet vinden, dat van die eigen stijl zelfs letterlijk op Wikipedia. En is die mededeling over die eigen stijl belangrijk voor ons begrip van Pressers tekst? Is het ook niet al duidelijk dat Fabritius een Nederlandse kunstschilder is? En waar zijn de twee andere schilders gebleven? Ze komen, dat is de oplossing, al eerder voor, maar omdat er geen personenregister is moeten we dat zelf ontdekken. Soms zijn er in dit soort gevallen in Homo submersus wel terugverwijzingen, maar dan toevallig hier weer niet. Opnieuw is dus het ontbreken van uniformiteit een probleem. Vermeer komt overigens op p. 52 al eerder voor, en over hem wordt in de annotatie op p. 481 speciaal vermeld: ‘Over zijn leven is weinig bekend.’ Waarom staat dat hier? Geldt dat niet voor tientallen personen in dit boek? Ook Pieter de Hoogh wordt op p. 52 vermeld, en hij krijgt dit als annotatie: ‘Hij begon zijn schildersloopbaan in Delft als leerling van Carel Fabritius (zie: Fabritius, p. 487).’ Nu ligt het niet voor de hand dat je je schildersloopbaan afsluit als leerling van iemand, dus ook dit had wat nauwkeuriger geformuleerd kunnen worden – als het al vermeld had moeten worden, want voor het betoog van Presser is het niet van belang. En wat betekent dat ‘zie: Fabritius, p. 487’? Vinden we daar meer informatie over de opleiding van De Hoogh bij Fabritius? Nee, daar vinden we dat wat boven over Fabritius geciteerd wordt, de informatie bij p. 107, die eigenlijk dus op p. 481 had moeten staan: informatie over een te annoteren kwestie staat gewoonlijk daar waar de kwestie het eerst voorkomt. En later verwijs je dan eventueel weer terug. Niet andersom, zoals Markus regelmatig doet.

Weinig goeds

Annoteren is niet het gemakkelijkste onderdeel van een editie, en uniformiteit, consistentie en feitelijke juistheid zijn, zoals al gezegd, bij het formuleren ervan van groot belang. Maar ook de toon, en die is bij Markus wel erg los, en zijn formuleringen staan vol clichés en oubolligheden. Een paar voorbeelden. Presser ‘zoog als een spons een enorme hoeveelheid kennis in zich op’, hij schroefde zijn ‘toch al niet geringe kennis’ op en hij werd ‘door collega’s wel eens gekscherend “een omgevallen boekenkast” genoemd’. Zijn De nacht der Girondijnen ‘kreeg een warm onthaal bij het lezerspubliek’ en de auteur wilde met dit boek ‘zijn lezersschare een boodschap meegeven’. Met oubolligheden heeft Markus dus geen enkel probleem, wel met gepast formuleren. Presser kan bij hem ‘op het terrein van onderduiken als een expert worden beschouwd’, en Joden hadden volgens Markus ‘weinig goeds [...] te verwachten van de Duitse bezetter’. Ook erg bont maakt hij het een noot bij het gegeven dat Joden op zeker moment hun radio moesten inleveren. De voetnoot luidt: ‘Joden moesten in april 1941 hun radio inleveren. Niet-Joden mochten langer genieten van de verpozing die de radio placht te bieden, maar in mei 1943 moesten ook zij eraan geloven.’ Gebrek aan historisch besef zal het zijn.
       Op p. 16 van de inleiding trouwen Jacques Presser en zijn meisje Dé Appel – ‘met elkaar’ voegt Markus er voor de zekerheid aan toe. Dat gebeurde in 1936. Een ‘prachtige’ witte piano (en geen lelijke dus) ‘domineerde’ de woning van het echtpaar, die verder ‘bevolkt’ werd door twee katten, die vooral door Presser ‘in de watten werden gelegd’. Het echtpaar kocht een auto, waarmee het door Frankrijk ‘dwaalde’, waar ze, uiteraard, ‘kunst en cultuur opsnoven’. Die auto is volgens Markus een ‘oud dkw-tje’. Annoteren is moeilijk, zoals ik al zei, en een van de belangrijkste talenten is dat je moet aanvoelen wanneer je iets moet opzoeken. Het automerk dkw bestond pas sinds 1927, de auto van de Pressers kan dus maximaal negen jaar oud zijn geweest. Markus ziet een oldtimer voor zich, terwijl de Pressers in een tweedehands auto rijden. Gebrek aan historisch besef in de wat onschuldigere variant.
       Tijd voor een samenvattend oordeel over deze uitgave, die voor een editie wil doorgaan. We gaan daarvoor terug naar het dankwoord. Op het einde daarvan zeggen ‘De samenstellers’: ‘Tot slot danken we René van Vooren en Hannie Pijnappels, die Homo submersus van een waardig omslag en binnenwerk hebben voorzien.’ Op het uiterlijk van dit boek is inderdaad weinig aan te merken: het is sober en klassiek, gemaakt door vakmensen. Maar ook dit is weer een vreemde opmerking van ‘De samenstellers’, want waarom zou je dat speciaal vermelden? Het spreekt toch vanzelf dat de beide genoemden geen ‘onwaardig’ omslag maken, en als ze dat al hadden gedaan, dan had de uitgeverij dat toch afgewezen en de opdracht aan iemand anders gegeven? Het was beter geweest als ‘De samenstellers’ en de uitgever gelet hadden op de waardigheid van de bezorging van dit document, en dat hebben ze duidelijk niet: in plaats van deskundigen in te schakelen hebben ze mensen viool laten spelen die dat nog nooit hadden gedaan, en die ongegeneerd hebben laten zien dat ze het ook niet kunnen.

Homo submersus is dus, om de vraag uit de ondertitel van dit stuk te beantwoorden, geen editie. 

Jacques Presser, Homo submersus. Een roman uit de onderduik. Ingeleid en geannoteerd door Nico Markus. [Amsterdam: Boom, 2010]. 528 p. ISBN 978 90 850 6715 3


Dit artikel verscheen eerder, op 16 augustus 2010, op www.textualscholarship.nl en is hier licht redactioneel gewijzigd. Op 31 augustus 2017 leidde ik de link naar deze herpublicatie op Facebook – ongeveer – als volgt in:
      Ik heb weer eens een stuk uit het archief op mijn blog gearchiveerd, en dat stuk – het komt bij mij wel meer voor – bevat kritiek op een wetenschappelijke editie of wat daarvoor moet doorgaan. Ik had en heb er verstand van, van wetenschappelijke edities. Het probleem daarbij was en is dat het maken van wetenschappelijke edities niet als specialisme wordt gezien: iedereen meent het te kunnen. Er zijn meer beunhaasedities dan echte, deskundig gemaakte. Zelfs op mijn twee voormalige instituten van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, die allebei ooit gespecialiseerd waren in wetenschappelijke edities, moesten ik en anderen vechten voor de erkenning van het specialisme. Op het ene instituut zei ooit een meerdere tegen mij dat ik niet te veel spatjes moest hebben, want ik maakte edities, en wat was dat nou helemaal: een paar documenten overschrijven, dat uitprinten en er een nietje doorheen jagen - bij wijze van spreken. Op het andere instituut zei een van mijn collega’s ooit: Editeren, een aap kun je het leren, en hij was dan ook niet te beroerd om een amateur voor een reeks van zijn afdeling edities te laten maken; kritiek daarop werd niet gewaardeerd. Het hier herdrukte artikel bespreekt zo’n door amateurs gemaakte editie. Het is, zo heb ik vaak genoeg gehoord, een vermoeiend stuk, maar het probeert de bespreking van een aantal feilen te onderbouwen met de overwegingen die aan de orde zijn wanneer je met verstand een wetenschappelijke maakt. En dat zijn nu eenmaal gecompliceerde overwegingen af en toe. Een heel werk, dat editeren, zei ooit een collega die veel verstand had van editeren.

woensdag 23 augustus 2017

De karaktertoon der proletarische klasse [2010]

Herman Gorter (1864-1927) en Henriette Roland Holst (1869-1952) worden vaak in één adem  genoemd. Ze leerden elkaar kennen in het begin van hun schrijverscarrière en werden samen socialist, en wel in 1897 tijdens het zogenoemde Paascongres van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij.
Maar op den duur groeiden ze uit elkaar, en na de afscheiding van Gorter en anderen van de SDAP in 1909 en de oprichting van de SDP, de links-socialistische Sociaal-Democratische Partij, kwam het nooit meer echt goed tussen de twee. Gorter zou als radencommunist overlijden, Roland Holst als christen-socialiste. Zowel Gorter als Roland Holst schreven socialistische poëzie, maar veel met elkaar te maken had die poëzie niet. Roland Holsts verzen uit een bundel als Meiliederen en propagandaverzen konden op partijbijeenkomsten worden gedeclameerd of gezongen, maar Gorters werk leende zich daar niet voor.

Wat vonden ze eigenlijk over elkaars dichtkunst? Roland Holst publiceerde een heel boek over Gorter na diens dood, maar uitspraken van Gorter over Roland Holst zijn schaars. In Roland Holsts Herman Gorter, verschenen in 1933, heet de eerste helft ‘Biografische aanteekeningen’, de tweede ‘De schoonheid van Herman Gorter’s poëzie’. Maar onverdeeld positief is tante Jet niet; naarmate de onderhoofdstukjes, die telkens de verschillende fases van Gorters werk behandelen, in de tijd vorderen, is ze minder tevreden.

Als ze bij de marxistische periode is aanbeland merkt ze op dat Gorter er zich bewust van was ‘dat de lyriek, de individueelste vorm der poëzie, niet de aangewezen vorm kon zijn, om de socialistische wereld- en levenskonceptie uit te beelden’, en ook dat ‘het, volgens hem, nog te vroeg [was] voor het socialistisch drama’. De tijd daarvoor kwam volgens Gorter in de woorden van Roland Holst pas ‘in een volgende fase van de groote worsteling tusschen proletariaat en bourgeoisie’. Dat vond Roland Holst overigens niet, want zij schreef af en toe zo’n socialistisch drama.

Waar het volgens Gorter niet te vroeg voor was, was het socialistische epos. Roland Holst gaat uitvoerig in op zijn Pan, waarvan twee versies verschenen: de ‘kleine’ uit 1912 (een klein wit boekje van 150 bladzijden) en de ‘grote’ in 1916 (een grote rode pil van ruim 500 pagina’s). ‘Ik geloof niet dat sedert Milton zijn “Paradise lost” schreef, een zòò grootsche en verheven poging op het gebied der epische poëzie in het Westen is gewaagd,’ meent Roland Holst.
Het venijn van deze opmerking zit in het woord ‘poging’, want Roland Holst heeft zo haar bezwaren, vooral tegen de ‘zeer vermeerderde’ tweede druk. Bij vlagen constateert ze een ‘verschrikkelijke wijdlopigheid’, ‘opgeschroefdheid’ en ‘vermoeiende herhalingen’, ook maakt ze curieuzerwijze bezwaar tegen het ‘onmatig gebruik van hoofdletters aan het begin van bijvoegelijke en zelfstandige naamwoorden’. Soms wel veertig op een bladzij: ‘Deze hoofdlettermanie immers verstoort de gelijkheid tusschen het woordenvolk; bepaalde woorden krijgen een bijzonderen nadruk, om niet te zeggen een nimbus-van-heiligheid, die hen hoog boven het gewone woordenvolk verheft.’ Maar toch: ‘Pan bevat tal passages, die het aesthetische bewijs leveren, dat Gorter de extatische eenwording met menschheid en kosmos, waarnaar hij met alle krachten van zijn wezen streefde, inderdaad vele malen heeft bereikt.’

Het is niet bekend of Gorter tijdens zijn leven ooit van zijn tijdelijke medestrijdster iets gehoord heeft van haar bezwaren tegen Pan. Er zijn maar een paar – vroege – brieven van de twee aan elkaar bekend. Die zijn vrij toevallig bewaard gebleven, want allebei waren ze geen bewaarders. Het is ook niet bekend of Gorter aan Roland Holst liet weten als hem iets aan haar werk niet beviel.

Een tot nu toe onbekende en ongepubliceerde mening van Gorter over Henriette Roland Holst staat in een boekje dat bewaard is gebleven in de nalatenschap van Jaap Coerman, die in 2008 overleed. Coerman, geboren in 1920, had nog bij Gorter op schoot gezeten: zijn ouders, net als Gorter inwoners van Bussum, waren politieke vrienden van de dichter-socialist. Na de dood van Gorter bleven de Coermannen ook bevriend met een van de twee jarenlange vriendinnen van Gorter, de eveneens Bussumse Jenne Clinge Doorenbos, die tot haar dood in Gorters huis aan de Nieuwe ’s-Gravelandseweg woonde. En toen zij in 1977 overleed ontfermde Coerman zich volgens eigen zeggen over wat achterbleef nadat de Gorter-kenners Garmt Stuiveling en Enno Endt hun keuze hadden gemaakt. Maar ongetwijfeld had Coerman ook al eerder spullen van Jenne gekregen, en ook door aankoop van interessante Gorteriana vulde Coerman zijn collectie aan.
Een van de documenten uit de collectie is het boekje De opstandelingen. Een lyrisch treurspel in drie bedrijven van Roland Holst, dat in 1910 verscheen in de Nederlandsche Bibliotheek van de Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur te Amsterdam, de idealistische uitgeverij van Leo Simons die later de Wereldbibliotheek zou worden.
Op het schutblad staat een opdracht: ‘Voor Herman en Wies / van / Jet. / Juli 1910’. Wies was Louise Cnoop Koopmans, Gorters echtgenote, die in 1916 zou overlijden. Gorter las het toneelstuk, hier en daar staan wat kruizen en strepen, zoals wel vaker in de weinige boeken uit de bibliotheek van Gorter die bewaard zijn. En op de witte ruimte boven het begin van het eerste bedrijf staat in potlood het oordeel van de strenge lezer: ‘De algemeene toon van een kunstwerk. Aan haar herkent men de klasse. – De echte, karaktertoon der prolet[arische] klasse is hier niet. De toon van dit kunstwerk is naast den toon van het proletariaat. Uit die fout komen alle fouten.’
Die zit. Maar Roland Holst kon er ook wat van. De laatste zin van het aan de marxistische periode gewijde hoofdstukje van Herman Gorter is deze: ‘Elke, zij het nog zoo vluchtige, vergelijking der laatste zangen van Pan met Dante’s Paradiso, versterkt onze overtuiging, dat het de schraalheid en vlakheid der naturalistisch-materialistische levens- en wereldkonceptie is geweest, die den socialistischen dichter in zijn vlucht belemmerd en hem verhinderd heeft, de hoogste toppen der vizionaire verrukking van menschelijke gelukzaligheid te aanschouwen.’

Eerder, op 1 februari 2010, gepubliceerd op www.textualscholarship.nl en hier bijna ongewijzigd herdrukt. De alinea-indeling is een beetje anders en ik schrapte een opmerking over de nog steeds dolende collectie-Coerman. Intussen zijn de genoemde boeken met opdracht resp. commentaar, samen met andere documenten uit het bezit van Jaap Coerman, te raadplegen in het Literatuurmuseum in Den Haag.

Andere bijdragen over Herman Gorter staan hier: