vrijdag 17 november 2017

Kito Lorenc


Onlangs, op 24 september 2017, overleed de Duitse schrijver Kito Lorenc, 79 jaar oud. Wie de indruk heeft dat Kito Lorenc geen Duitse naam is, heeft in zoverre gelijk dat Lorenc niet alleen een Duitse schrijver was maar ook een Sorbische. De Sorben zijn een Slavische minderheid in het oostelijke deel van Duitsland, tot 1990 gelegen op het grondgebied van de Duitse Democratische Republiek. In 1988 schreef ik voor een aflevering van het tijdschrift Yang dat aan de ‘Actuele DDR-literatuur’ gewijd was het artikel ‘Een eiland in de Duitse zee. De Sorben, hun literatuur en Kito Lorenc’. Ik had toen de indruk dat ik een van de eersten was die in het Nederlandse taalgebied over de Sorben schreef, maar dat betwijfel ik nu. En toch was het een aardig en informatief artikel, dat ik hier niet hoef te herdrukken want het internet geeft genoeg en meer en actuele informatie voor wie het wil weten.
In DDR-tijden hadden de Sorben, hun taal en hun cultuur een gekoesterde status, wat niet verhinderde dat het aantal Sorbischsprekenden toen ook al hard achteruit ging. In het gebied waar de Sorben woonden was het Sorbisch een vak op school, en er werd ook literatuur in het Sorbisch geschreven en gepubliceerd. De belangrijkste vertegenwoordiger was, toen ik mijn artikel schreef, Kito Lorenc, een kleine, ronde man met baard die stotterde – totdat hij het podium beklom en zijn gedichten voordroeg. Hij schreef in het Sorbisch en het Duits. Voor Yang vertaalde ik twee van zijn Duitse gedichten. Het tweede was er een voor kinderen, maar het was en is, zoals elk goed gedicht voor kinderen, ook goed pruimbaar voor volwassenen. En het was een uitdaging voor de vertaler, van dien aard dat ik nu, na bijna dertig jaar, het een en ander veranderd heb om me niet helemaal te generen:

Het labyrint

Het is verdraaid toch wat! Eer je in zo’n labyrint
die ene weg naar buiten toe ten slotte vindt
stoot je je oor en neus en dwaalt en krijgt de schurft.
Je durft er niet in, en als je ’t eindelijk durft
is daar opeens weer het begin. Is er een uitweg daar?
Wat fout was eerst is aan ’t andere einde waar!
’t Is even duidelijk, en dan toch weer verbruid.
Maar heb je ’t allemaal door – dan ben er weer uit.

Het originele gedicht staat in de bundel Die Rasselbande im Schlamassellande. Gedichte für Robert und Jacob und andere Kindsköpfe. Berlijn[-DDR], 1985 (3e druk), p. 26.

Het artikel: Jan Gielkens, ‘Een eiland in de Duitse zee. De Sorben, hun literatuur en Kito Lorenc’, in: Yang, 24 (1988), afl. 2, pp. 122-126, de vertalingen staan op p. 127-129.


woensdag 15 november 2017

Leidse puinhoop

Leiden, 12 november 2017



















Het is alweer een tijd geleden dat ik op Facebook op woensdagen ‘Woensdag Ethiekdag’ vierde. Een mens moet ook wel eens wat afstand nemen. Maar de commotie rond de Leidse promotie van Wolkers-biograaf Onno Blom is toch weer zo interessant dat het misschien, met mijn belangstelling voor grensoverschrijdend wetenschappelijk gedrag in het algemeen en dat in Leiden in het bijzonder, geoorloofd is een paar vragen te stellen naar aanleiding van onder andere de berichtgeving in NRC Handelsblad op 10 (‘Commissie wees Wolkersbiografie eerst af’ en ‘“Er zijn vele vormen voor een wetenschappelijke biografie”’ en ) en 11 november 2017 (‘Promotiecommissie zelden vervangen’).

Het verhaal ten overvloede en in het kort: promovendus schrijft proefschrift, promotiecommissie keurt het af, promotor stuurt commissie naar huis, benoemt nieuwe commissie, die keurt proefschrift goed, promovendus promoveert; kort daarna zorgt iemand dat de pers belangstelling krijgt voor de gang van zaken, de academische wereld concludeert dat een vervanging van een promotiecommissie toch wel uiterst uitzonderlijk is, behalve de promotor en de Universiteit Leiden in de persoon van de decaan van de geesteswetenschappelijke faculteit. Die laatste zocht de oplossing in het promotiereglement.

Toen ik voor het eerst van de kwestie van de vervangen commissie hoorde, eind september, dus ruim vóór de promotie, was mijn eerste gang ook naar het promotiereglement, en de conclusie moest al snel zijn dat het vervangen van een promotiecommissie daar niet in voorkomt, en ook niet in enkele andere universitaire promotiereglementen. Dat zou je een maas in de wet kunnen noemen, en de decaan van de faculteit Geesteswetenschappen van de Leidse universiteit maakte daar dan ook dankbaar gebruik van door het goed te vinden dat een promotiecommissie aan de kant werd gezet en een nieuwe werd benoemd. Het is natuurlijk wel de vraag of zo’n maas in de wet alles mogelijk maakt. Er staat ook niet in het promotiereglement van de Universiteit Leiden dat je niet met gebraden kippen mag gooien tijdens een promotie, en toch gebeurt dat weinig. Er staat van de andere kant in het promotiereglement van de Universiteit Leiden ook niets over paranimfen, en toch zijn ze er bij elke promotie, en volgens de redenering van de decaan zou dus ook een gebraden kip paranimf kunnen zijn.

In het promotiereglement staat ook dat de decaan van de faculteit q.q. lid en secretaris is van promotiecommissies, maar hij kan die taak overdoen aan een plaatsvervanger, die hoogleraar moet zijn aan de Leidse universiteit. Deze functie werd, dat is te zien aan de namen van beide commissies die Ewoud Sanders vandaag, 14 november, op Twitter zette, vervuld door de kunsthistorica Kitty Zijlmans. De andere leden waren Sander Bax, Gilles Dorleijn, Rick Honigs en Marita Mathijsen. Allemaal zeer competent, maar er zit geen Leidse hoogleraar bij, en dat is op zijn minst vreemd te noemen. Van de tweede commissie maakte Zijlmans geen deel meer uit, zij kon, mocht of wilde dus niet meer. Nu is het Wim Willems, sociaal historicus. Ook in de rest van deze tweede commissie (Jacqueline Bel, Kees Snoek, Michiel van Kempen, Rick Honigs), eveneens zeer competent, zat geen Leidse hoogleraar, en dat blijft opmerkelijk. In het aanvankelijke gegis over de leden van beide commissies kwam bij Ewoud Sanders in eerste instantie nog de naam van Peter van Zonneveld voor, die zichzelf in een persoonlijk verslag van de promotie lid van de promotiecommissie noemde. Hij zal de oppositiecommissie hebben bedoeld.

Interessant is de positie van Rick Honings, die lid was van beide commissies. Waarom komt hij niet aan het woord in NRC Handelsblad (waar overigens helemaal geen namen van commissieleden worden genoemd). Het zou interessant zijn te vernemen hoe Honings de overgang van af- naar goedkeuring motiveert. In NRC Handelsblad komt evenmin Yra van Dijk aan het woord, die op de officiële aankondiging van de promotie op de website van de Universiteit Leiden als tweede promotor wordt vermeld. Was zij er ook al bij de eerste aanloop of is ze in tweede instantie toegevoegd? De decaan heeft volgens het promotiereglement die mogelijkheid. NRC Handelsblad constateert dat de eerste commissie ‘hoofdzakelijk uit neerlandici’ bestond en dat er in de tweede commissie meer ‘historisch letterkundigen’ zaten, maar aan de lijstjes van Sanders is te zien dat dat onderscheid niet echt te maken is en dat de krant dus de apologetische argumentatie van promotor en decaan lijkt te volgen zonder naar de specialismen van de leden te kijken. Bij Sanders worden in de eerste commissie twee personen aangeduid als historisch letterkundige, in de tweede slechts een; in commissie 1 zaten nog vier biografen, in commissie 2 één minder.

Waarom de ene commissie het proefschrift af- en de andere het goedkeurde is een academische kwestie. Maar deze hele rammelende gang van zaken was blijkbaar nodig om ervoor te zorgen dat de Wolkers-biograaf kon promoveren op de sterfdag van de schrijver, en dat lijkt mij een onwetenschappelijke motivatie. De biografie moest natuurlijk ook verschijnen op diezelfde dag, en dat betekent dat de commerciële belangen van een uitgeverij en die van een wetenschapper in opleiding – want dat is een promovendus, zeker in dit geval – geplaatst zijn boven de verdiensten van zeer deskundige wetenschappers en ook boven het belang van een correcte en integere beoefening van de wetenschap.

Het zou een leuke kwestie kunnen zijn voor de vertrouwenspersoon wetenschappelijke integriteit van de Universiteit Leiden. Op de aan wetenschappelijke integriteit gewijde pagina van de website van de universiteit wordt gemeld dat het College van Bestuur in april 2013 iemand in die functie heeft benoemd voor de duur van vier jaar. Die termijn liep dus ruim een half jaar geleden af. Zou er al een nieuwe vertrouwspersoon zijn? Ik kan het nergens vinden. Wat de wetenschappelijke integriteit betreft zijn ze in Leiden niet helemaal bij de tijd.

Ik laat het hierbij. Ik had het mezelf overigens gemakkelijker kunnen maken alleen maar deze retorische vraag te stellen: waarom mag een biografisch proefschrift worden begeleid door iemand die geen idee heeft hoe je een fatsoenlijke biografie schrijft? Hoe dat zit had u al een keer gelezen, maar vooruit: http://jangielkens.blogspot.nl/2017/03/het-staat-er-echt.html.


dinsdag 17 oktober 2017

Ingeblazen

Er was Marché Royal in de Haagse binnenstad afgelopen zondag: een hoop kraampjes, Franse chansons uit de luidsprekers en ergens een plukje Franse oldtimers. Een van die auto’s was een Panhard et Levassor X72 uit 1933.

Dat stond te lezen in een informatiebriefje op een van de ruiten van de auto.
Mooie wagen, maar ik vond het briefje even interessant. Ik dacht bij het lezen van zoveel spontane meertaligheid meteen – ik ben immers de beroerdste niet –: soms is het misschien toch aan te raden een online vertaalmachine te gebruiken,

Om dat voor mezelf te bewijzen stopte ik de zin ‘Deze auto is in de tweede wereldoorlog ingemetseld om uit handen van de Duitsers te blijven’ in Google Translate, en dit was, na drie van zulke acties, het resultaat:

          This car was embedded in the Second World War to stay from the hands of the Germans.

          Dieses Auto war im Zweiten Weltkrieg eingebettet, um den Deutschen zu überlassen.

          Cette voiture a été intégrée dans la Seconde Guerre mondiale pour rester entre les mains des Allemands.

Twee oplossingen willen dus het tegendeel van wat de voormalige eigenaar van de auto voor ogen had.

Maar ik ben nog steeds niet de beroerdste en denk: misschien ligt het aan dat ‘te blijven’ op het eind van de Nederlandse zin. Misschien komt het in orde als ik een iets correctere zin maak, met ‘te houden’ op het eind. Maar nee. Dit is het drievoudige resultaat met de nieuwe zin:

          This car was embedded in the Second World War to be held by the Germans.

          Dieses Auto wurde im Zweiten Weltkrieg von den Deutschen gehalten.

          Cette voiture a été intégrée dans la Seconde Guerre mondiale pour être tenue par les Allemands.

Nu krijgen de Duitsers de auto dus in elke taal in handen, en ze hoeven er niet eens drietalig metselwerk voor af te breken.

Nog maar een Google-vertaaloefening dan. Wat gebeurt er als je de Franse zin van meneer of mevrouw Breed door google in het Nederlands laat vertalen? Dit:

          Deze auto werd omwenteld tijdens de Tweede Wereldoorlog om het te redden van de Duitse troepen.

De Duitse zin van het informatiebriefje levert via de googlemachine in het Nederlands dit op:

          Deze auto was in de Tweede Wereldoorlog ommuurd om niet te worden gevraagd.

Wat Google Translate met het Engels doet kan ik niet eens beredeneren:

          Deze auto werd ingeblazen tijdens de tweede wereldoorlog om het uit de handen van de Duitsers te houden.

zondag 15 oktober 2017

Origineel omslag [2013]


Catawiki is de snel groeiende website voor verzamelaars van wat dan ook. Je kunt er informatie vinden, je kunt er met medeverzamelaars in contact komen, en je kunt er kopen en verkopen. Sinds een tijdje zijn er ook veilingen. Het begon met strips en postzegels, tegenwoordig lopen er elke werkdag een paar veilingen af, nog steeds van strips en postzegels, maar ook van kunst, wijn, curiosa, speelgoed, platen, munten en boeken. Het zijn niet per definitie beroepshandelaren die dat allemaal aanbieden, en de beschrijvingen van de boeken laten dan ook nog wel eens te wensen over. Een woord als ‘kaft’ bijvoorbeeld komt me nog een beetje te vaak voor waar een band of een omslag bedoeld is.

Soms zie je aan een beschrijving van een lot dat de handelaar maar wat doet. Deze week biedt een Vlaamse verkoper het ‘Corman handboek van merktekens en monogrammen’ aan, in 2 delen, ‘1953, Frankrijk’. Het is volgens de omschrijving een ‘Zeldzaam Franstalig handboek deel 1 en 2 voor het opzoeken van merktekens en monogram’s op porselein -keramiek en faiences. Geïllustreerd met 4000 merktekens per boek – orginele omslag.’ Dat ‘orginele’ omslag is het interessantst aan deze boeken. De handelaar geeft ook een foto van wat hij vermoedelijk met dat ‘orginele omslag’ bedoelt. Maar het zijn niet de originele omslagen van het boek die hij laat zien. Ik heb zo’n omslag namelijk ook. Dit is het:
Het zit bij mij niet om het ‘Corman handboek van merktekens en monogrammen’, maar om Die malle kat, een Elsevier-pocket uit 1964 met onbegrijpelijke kattenhumor. Ik kocht dat boekje onlangs tweedehands, niet om het boek (want ook als het begrijpelijke kattenhumor was geweest had ik het niet gekocht), maar om het omslag. Hoe zit dat? In Oostende, Het Zoute en Brussel had je, toen dit omslag werd verspreid, de vermaarde boekhandel Corman, die er overigens in Oostende en Het Zoute (nu Knokke-Heist) nog steeds is.
Oprichter Mathieu Corman (1901-1975) bedacht dat hij reclame voor zijn winkels kon maken op beschermende omslagen die hij om verkochte boeken deed. Het idee had hij vermoedelijk uit Frankrijk: daar maakte bijvoorbeeld A.M. Cassandre een ontwerp voor zo’n omslag. Voor het omslag van Corman maakte de Franse, veel in Oostende werkende schilder Félix Labisse een tekening, die het handelsmerk van Corman werd.
Het ‘Corman handboek van merktekens en monogrammen’ bestaat dus niet. Wat de Vlaamse handelaar incompleet aanbiedt is het driedelige werk Les poteries, les faïences en les porcelaines Européennes, in 1953 en 1954 in Parijs verschenen en her en der te koop op wereldwijde boekenverkoopsites. Een reprint uit 1997 is bij een Nederlandse handelaar te bestellen voor € 20. Met nog vier dagen te gaan op het moment dat ik dit schrijf staat de prijs op Catawiki op € 6, en dat is een leuke prijs voor die twee omslagjes.

Literatuur over Corman:

Roger Tavernier, ‘Mathieu Corman: boekhandelaar, globetrotter, reporter’. In: De Brakke Hond, 11 (1994), afl. 44, p. 48-76.
- Roger Tavernier, ‘Mathieu Corman: boekhandelaar, globetrotter, reporter’. In: Kruispunt, 40 (1999), afl. 181, p. 58-123.
- Frank Okker, ‘Brandbom tussen de boeken. Mathieu Corman, gedreven literator’. In: De Parelduiker, 7 (2002), afl. 1, p. 37-45

Eerder, op 24 juni 2013, verschenen op www.textualscholarship.nl en hier ongewijzigd gepubliceerd. De tekening van Labisse staat als logo op de gevels van de Corman-winkels. Opvallend is hoe snel Catawiki gegroeid is: vergelijk mijn tekst met de huidige omvang via de link. Het aantal amateurs en bijbehorende rammelende beschrijvingen is helaas ook toegenomen. De in 2013 aangeboden boekjes werden, volgens de vreemde logica van de veilingwereld, verkocht voor € 69, exclusief 9% opgeld.

maandag 2 oktober 2017

Veelvuldige katers [2010]


In zijn ‘Literaire kroniek’ in de ‘Republiek der letteren & schone kunsten’ op www.vn.nl besteedde Carel Peeters aandacht aan de eind november 2010 gelanceerde website www.mennoterbraak.nl, die ons op den duur de volledige Ter Braak moet gaan bieden. ‘Waarin Menno ter Braak zijn digitale opstanding beleeft’ heet de aflevering. Peeters doet op de website allerlei ontdekkingen (want er is veel tot nu toe onbekends te vinden) en hij citeert ook het een en ander. Zoals enkele zinnen uit een brief van Johan Huizinga aan Ter Braak: ‘Ik ben een buitengewoon probleemloos mensch altijd geweest en gebleven. Ik wandel eigenlijk maar door mijn geestelijk bestaan als door een tuin.’ De gemakkelijkste manier om uit digitaal gepresenteerde teksten te citeren is natuurlijk knippen en plakken, maar dat doet Peeters niet. Hij tikt de twee zinnen over en maakt er dit van: ‘Ik ben een buitengewoon probleemloos mensch. Altijd geweest en gebleven. Ik wandel eigenlijk maar door mijn geestelijk bestaan als door een tuin.’ Twee zinnen zijn er pardoes drie geworden.

Nog een citaat van Peeters, nu uit een brief van Ter Braak aan zijn vrouw Ant Faber (nadat Ter Braak een lezing heeft gehouden): ‘Het spreken is de prostitutie van de intellectueel, met geldelijke voordelen, het kortstondige genoegen (heel soms) en de veelvuldige katers van genoemd bedrijf. Ditmaal had er ik wel plezier in.’ Maar bij Ter Braak staat dit: ‘Het spreken is de prostitutie van den intellectueel, met de geldelijke voordeelen, het kortstondige genoegen (heel soms) en de veelvuldige katers van genoemd bedrijf. Ditmaal had ik er wel pleizier in.’ Hier, anders dan in het andere citaat, moderniseert Peeters (‘den intellectueel’ wordt ‘de intellectueel’ en ‘voordeelen’ wordt ‘voordelen’), en hij verandert ‘pleizier’ in ‘plezier’ en zal dat ook wel moderniseren noemen. Het heeft wat weg van de manier waarop Willem Frederik Hermans – leuk om hem nog even te noemen in een stukje over diens pet hate Ter Braak – citaten aanpaste aan zijn eigen regels.

Overtikken is, als je het transcriberen noemt, een van de belangrijkste activiteiten wanneer je teksten leesbaar wilt presenteren, of het nu in een papieren wetenschappelijke editie is of in een digitaal webarchief zoals dat van Menno ter Braak. Als we ons tot de brieven beperken, dan zijn er voor deze website vierduizend transcripties gemaakt, sommige al lang geleden voor bijvoorbeeld de briefwisseling met Ed. du Perron (bijna 1200 stuks), sommige door Léon Hanssen in het kader van zijn biografieproject, andere speciaal voor deze website. Ik schreef hierboven: ‘Bij Ter Braak staat dit’, en in de twee geciteerde Peeters-gevallen betekent dat: in de transcriptie én in het origineel (beter: het facsimile ervan) dat op www.mennoterbraak.nl bij de transcriptie is afgedrukt. En dat is natuurlijk de bedoeling: dat een transcriptie een getrouwe weergave is van de tekst van het origineel.

Ik zou die citaatcontrole bij Carel Peeters niet hebben uitgevoerd als ik niet wantrouwig was geworden bij het bekijken van enkele brieven. Er is namelijk het een en ander mis met de getrouwheid van de weergave ervan. Ik begon mijn leestocht, uit persoonlijke belangstelling, bij een brief van Klaus Mann aan Ter Braak. Het is er een van 27 juni 1935, en de brief is getypt op briefpapier van het exiltijdschrift Die Sammlung. Wat is er mis met deze transcriptie? Op het eind ontbreken bijvoorbeeld twee zinnetjes, bovendien verbleef Klaus Mann in Sils-Baselgia en niet -Baselga, en ook het gedrukte briefhoofd wordt niet vermeld. En dan nog dit: bij de namen in de brief kun je doorklikken naar een ‘MennoterBraak-Web-Encyclopdie’. Behalve die ontbrekende e is er nog wel meer mis met dit nuttig bedoelde instrument. Wie op Braak doorklikt bijvoorbeeld komt in een leeg schermpje terecht. Wie wil weten wie Klaus Manns door zelfmoord overleden vriend René Crevel was en op Crevel doorklikt komt in een schermpje waar je kunt kiezen uit Hans van Crevel, Max van Crevel, René Crevel en Caroline Helen Ruth van Crevel-van Oss. En wie op Mann doorklikt heeft de keuze uit zes leden van de familie Mann, maar ook uit Karl Mannheim en Gerrit Mannoury. Maar het wordt nog gekker: Klaus Mann (of was het Gerrit Mannoury?) verbleef in Sils-Baselgia in Haus Salis, en op dat ‘Haus’ kan ook worden doorgeklikt: het blijkt de acteur Johan Haus (1870-1943).
Klaus Mann
Erika Mann
Gerrit Mannoury

Elders neemt het doorklikken soms nog genantere vormen aan: in de brieven van Willem Elsschot aan Ter Braak vindt wie doorklikt op de naam Elsschot de biografie van de echte bezitter van dat pseudoniem: Alfons De Ridder, en zo ondertekende Elsschot zijn brieven ook. Maar als je dan op dat De Ridder doorklikt raak je verzeild in de doopceel van Elsschots collega André de Ridder. Wat hier mis is, is duidelijk: gebrekkige digitale techniek gecombineerd met een gebrekkige eindredactie.

Terug naar de transcripties en naar de familie Mann. Klaus Mann gebruikte een schrijfmachine, maar zijn zus Erika schreef haar ansichtkaart van 15 juli 1935 aan Ter Braak met de hand. In de transcriptie van deze briefkaart is die datum tussen teksthaken gezet, want hij is geconcludeerd uit het frankeerstempel. En zo hoort het ook. Maar eigenlijk moet je dat dan ook doen met de plaats van verzending, want ook die is alleen te concluderen uit het stempel. Wat is er verder nog over deze 47 woorden tellende tekst te vertellen? Er is bij het overtikken ergens een komma verdwenen, ‘ihren’ moet ‘Ihren’ zijn en ‘Entsetzlichen’ ‘Europäischen’. Dat verkeerde ‘Entsetzlichen’ staat, net als het correcte woord ‘habe’ elders, tussen teksthaken, maar de functie van die haken is mij niet duidelijk. Ze staan niet in het origineel. Zouden ze betekenen dat de betreffende woorden moeilijk leesbaar waren? Dan zou een vraagteken op zijn plaats zijn geweest en ergens op de website ook een verklaring van het gebruik van zaken als teksthaken. Zo’n – absoluut noodzakelijke – uitleg heb ik nergens kunnen vinden. Er staat alleen in de algemene inleiding op de brieven: ‘Om een goed leesbare tekst te verkrijgen hebben de bezorgers van de brieven een aantal ingrepen gedaan.’ Maar: wie ingrijpt moet ook uitleggen hoe en waarom.

Handschriften ontcijferen: dat kan af en toe best moeilijk zijn, maar voor met de schrijfmachine geschreven brieven geldt dat excuus nauwelijks. De Duitse schrijver Rudolf Binding schreef op 15 december 1933 zo’n getypte brief aan Ter Braak. Binding protesteerde op drie getypte kantjes tegen een zeer onvriendelijke recensie van Ter Braak (die je overigens zelf moet gaan zoeken op de website, terwijl je toch een link zou verwachten). Ik heb voor deze brief van drie kantjes zesentwintig voorstellen voor wijzigingen: er ontbreken komma’s en er moeten komma’s weg, er ontbreekt een groot aantal Umlauten, hoofdletters moeten kleine letters worden en andersom, een stuk of wat woorden zijn incompleet. Een getypte brief als deze zou probleemloos over te tikken moeten zijn, en daarom is mijn diagnose opnieuw: hier heerst op zijn minst redactionele onverschilligheid. En ook bij deze brief gaat de encyclopdiefunctie weer mis: wie Maurice Roelants is komen we zonder problemen te weten, maar wanneer Binding de naam in zijn opwinding als Roelant spelt is er geen link meer. Daar staat tegenover dat, wanneer Binding ergens geen ‘Grund’ zegt te hebben om Ter Braak zijn boeken te sturen, we de informatieve ‘biografie’ gepresenteerd krijgen van ene K. Grund: ‘geboren: onbekend / overleden: onbekend / beroep: onbekend’. Wanneer Binding iemand een ‘anständige[r] Mann’ vindt, krijgen we opnieuw de hele familie Mann, Karl Mannheim en Gerrit Mannoury op bezoek.

Bij Rudolf Binding blijkt nog een ander probleem: de kwaliteit van de informatie die in de biografietjes in de ‘MennoterBraak-Web-Encyclopdie’ wordt verstrekt. Dat gebeurt soms in eigen tekstjes van de redactie, maar veel vaker via links naar bestaande biografietjes, bijvoorbeeld naar Wikipedia. Bij Binding staat een link naar het Engelstalige Wikipedia-lemma over hem, en dat is een lemma van een paar regels. Daarin staat niet wat in de lange Duitse Wikipedia-levensschets staat, namelijk dat Binding geen probleem had met het Duitse nationaalsocialistische regime, en dat is voor het goede begrip van de briefwisseling tussen Ter Braak en Binding toch een cruciaal feit. Een soortgelijk geval, qua collaboratie en qua biografische informatie, is Henrik Scholte. Over hem wordt in een redactionele tekst verteld: ‘Na de oorlog trekt hij zich uit de film en de letteren terug en wordt hij bij de KLM secretaris van de persdienst.’ Maar dat hij zich overal uit moest terugtrekken omdat hij voor de bezetter had gewerkt wordt niet vermeld. In een brief van Ter Braak aan Scholte van 25 augustus 1930 worden we overigens ook weer op een andere manier het bos ingestuurd. Ter Braak vraagt aan Scholte: ‘Kan ik de uitgenoodigden [d.w.z. mogelijke medewerkers aan het jaarboek Balans; JG] opgave van honorarium verstrekken […]?’ Wie is toch die Kan, vroeg de digitale Mennoterbraakwebencyclopdiegenerator zich af? Inderdaad: het is Wim Kan.

Het is niet moeilijk om bij het raadplegen van www.mennoterbraak.nl permanent in een deuk te liggen vanwege dit soort gebreken, maar al snel gaat de ergernis overheersen. Want wat is de informatieve waarde van al deze documenten, wanneer je er niet van op aankunt dat je betrouwbare teksten en informatie krijgt voorgeschoteld? Het kan er allemaal wel gelikt uitzien, maar dat helpt niet als dat wat wordt gepresenteerd onder de maat is. Het zou toch zo moeten zijn dat elke gebruiker van een website als deze, of het nu wetenschappers zijn, ‘gewone’ lezers of toevallige bezoekers, recht heeft op correcte informatie. Wie als maker van zo’n website niet de intentie of het talent heeft om dergelijke informatie aan te bieden moet iets anders gaan doen en het foute overtikken overlaten aan journalisten.

Eerder, op 13 december 2010, gepubliceerde op www.textualscholarship.nl en hier minimaal redactioneel gewijzigd. Van de redactie van www.mennoterbraak.nl heb ik nooit iets gehoord, maar na mijn stuk is wel het een en ander aangepast. De doorlinkfunctie naar namen is al snel verdwenen.

woensdag 13 september 2017

Schijtlijsters


Ik begon ooit een column (nu ook te vinden op mijn blog, link volgt hieronder) met de volgende zin: ‘Er zijn nog steeds Nederlanders die van Duitsers van nu de fiets van hun grootvader terug willen. In een ik-verhaaltje op de Achterpagina van NRC Handelsblad hoort een lezer of lezeres (ik heb het artikeltje even niet bij de hand) hoe de ene Duitser tegen de andere het woord “Mensch” zegt. En ja hoor: de gedachten gaan meteen terug naar de bezetting, toen hij of zij ook een keer de ene Duitser tegen de andere dat woord hoorde bezigen. De moraal van het verhaal, zo lijkt het: Duitsers kunnen maar beter hun mond houden.’ Het stuk ging verder, vooral met een educatief oogmerk, over het zotte van het gebruik van zogenaamd ‘Gotische’ schrift voor een aankondiging in de VPRO-gids van een tv-documentaire over Mein Kampf, maar wat mij betreft verschilde het niet veel van dat ‘Mensch’-verhaaltje. Allebei de gevallen documenteren wat mij betreft de vanzelfsprekendheid waarmee ‘Duitsland’ nog steeds wordt gereduceerd tot één aspect van de geschiedenis van dat land, ook op een moment dat mensen gewoon hun eigen taal praten.

Ik constateer dat soort dingen wel vaker, maar dan vindt mijn omgeving dat ik overdrijf en dat Nederlanders toch echt niets meer tegen Duitsers hebben. En dan onderdruk ik voor de zoveelste keer mijn neiging om er iets over op te schrijven. Maar soms moet het toch even, zoals nu.
Maandag 4 september j.l. werd het BNNVARA-programma De Nieuws BV (elke werkdag tussen 12.00 en 14.00) vanwege het begin van het nieuwe schooljaar gepresenteerd vanuit een basisschool. Onderdeel van deze uitzending was, bijna op het eind, een nieuwsquiz voor leerlingen en leerkrachten. Een vraag aan de leerlingen ging over de aanstaande Duitse verkiezingen en luidde ongeveer zo: ‘Wie gingen er gisteren met elkaar in discussie, waren dat Angela Merkel en Martin Schulz, of Mieke van der Weij en Peter de Bie.’ Humor. Niet om te lachen was, dat de namen van de twee laatste personen normaal werden uitgesproken, de namen van de Duitse politici daarentegen heel hard, blaffend, zoals in een B-film een slechte imitatie van een Duitse soldaat uit de Tweede Wereldoorlog ‘Ausweis’ of iets dergelijks brult. Dat is al niet grappig wanneer het grappig bedoeld is, laat staan met basisschoolkinderen als publiek.

Ik dacht dus meteen: ik vraag per email de redactie van De Nieuws BV om opheldering. Geen antwoord. De volgende dag herhaalde ik mijn vraag. Weer geen antwoord. Op woensdag ben ik maar eens gaan bellen met de omroep zelf. Eerst kreeg ik een uiterst verveelde telefoniste aan de telefoon, die na een minuutje zoeken verklaarde dat niemand bereikbaar was om mij te woord kon staan. Ik suggereerde dat de juridische afdeling misschien een goed idee was, want het ging toch om een potentiële klacht wegens belediging, of de persafdeling, en dat laatste vond ze wel een idee. De volgende die ik aan de lijn kreeg was een dame die, na mijn uitleg, het programma niet bleek te kennen waarover ik belde, ze was er nog maar net, zei ze, toen ik mijn verbazing daarover uitte. Ze ging overleggen met een collega, maar ze hield haar hand niet goed genoeg op haar microfoontje, zodat ik die collega de woorden ‘een beetje overdreven’ hoorde zeggen. De juffrouw meldde zich weer, noteerde mijn telefoonnummer en beloofde dat ik teruggebeld zou worden. Maar dat gebeurde natuurlijk niet.

Gisteren, een week na de uitzending, heb ik weer eens gemaild, maar ik kreeg opnieuw geen antwoord. Nu ga ik maar eens aan de omroepombudsman schrijven.

Een ander BNNVARA-programma, het consumentenprogramma Kassa, heeft de ‘Schijtlijster Trofee’ in het leven geroepen, voor instanties of organisaties die weigeren, tijdens de uitzending uitleg te komen geven over klachten. Ik ga, nadat ik de omroepombudsman heb geschreven, eens kijken of ik De Nieuws BV hiervoor kan nomineren. Wanneer een bedrijf of een instantie bij Kassa niet komt opdagen, betekent dat over het algemeen dat de klacht terecht was. Daar ga ik dus bij mijn klacht ook maar van uit.

Dit is de link naar mijn eerdere stuk: http://jangielkens.blogspot.nl/2016/06/slecht-geschreven-2011-erzijn-nog.html

[Ook op Facebook, 13 september 2017]

maandag 11 september 2017

Russische notities: niet aanwezig [2010]


Charles B. Timmer (1907-1991), vooral bekend als vertaler uit het Russisch en publicist over Russische literatuur, was veel meer dan dat: hij schreef zelf poëzie en romans, en hij was als zoon van een houthandelaar ook in die sector werkzaam. In 1948 haalde hij zijn vriend Willem Frederik Hermans over om houtcontroleur te worden in Canada en Newfoundland (dat toen nog net geen Canadese provincie was). Hermans hield het vijf maanden uit. Op latere leeftijd ging Timmer nog werken op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (iisg) in Amsterdam. Hij was daar verantwoordelijk voor de publicaties en ook nog tijdelijk adjunct-directeur.
Dat was hij toen ik begin 1978 op de Duitse afdeling van het iisg ging werken. Timmer was toen dus 70, en hij zou nog een paar jaar op het instituut blijven. Omdat ik al snel in de Instituutsraad van het iisg terechtkwam, kreeg ik met hem te maken, en de jeugd en de ouderdom botsten nogal eens. Ik wond me tijdens vergaderingen altijd op over zijn gezucht, dat ik als afwijzende reactie op mijn meningen interpreteerde. Pas toen ik na een verhuizing een paar kamers bij hem vandaan kwam te zitten, begreep ik dat hij altijd zo zuchtte, ook als hij niet vergaderde en alleen op zijn kamer zat, gewoon omdat hij als zeventiger wat minder lucht had.

Wanneer Timmer precies bij het iisg vertrok weet ik niet meer, maar het zal rond 1983 zijn geweest. Het was namelijk niet al te lang nadat ik samen met Ton Naaijkens in 1982 negen gedichten van de Duitse dichter Ernst Meister (1911-1979) had vertaald voor Tirade. Timmer sprak me daar op aan en hij vroeg de originele bundels van Meister te leen, uit belangstelling voor diens mooie gedichten over de dood wellicht, maar misschien ook wel om de vertaling te controleren.

Voor het eerste motief spreekt het feit dat Timmer later in De Tweede Ronde nog enkele indrukwekkende gedichten over het thema dood zou publiceren, voor het tweede zijn controlezucht en correctiedrift. Hij was tenslotte houtcontroleur, vertaler en redacteur. Uit Timmers laatste periode op het iisg herinner ik me het profiel dat hij voor zijn opvolger als hoofd publicaties schreef: het was vele pagina’s lang en vol functie-eisen als de actieve beheersing van een groot aantal talen, waaronder Russisch en Fins, en de passieve kennis van nog vele, vele andere. Aan het profiel, ik zou het graag nog eens lezen, was vermoedelijk alleen door Timmer te voldoen.
Toen Charles Timmer bij het iisg vertrok, liet hij een kast vol drukwerk achter, waaruit de collega’s van de Slavische afdeling de eerste keus hadden. Daarna waren anderen aan de beurt. Ik nam een stapeltje Tirades mee en wat ander drukwerk, allemaal met sporen van de voormalige eigenaar (en af en toe ook van de toenmalige directeur van het iisg, Rein van der Leeuw, die, veronderstel ik, nieuw verschenen Tirade-afleveringen te leen kreeg). Van Timmers redactionele jagersoog zijn in de Tirades allerlei sporen te vinden. In het zomernummer van 1977, waarvan weinig bijdragen een redacteur hebben gezien, streept hij bijna alles aan, in nummer 272/273 van januari/februari 1982 in een essay van H.A. Gomperts niets, behalve een behoorlijke stilistische uitglijder. In aflevering 224 van april 1977 onderstreept hij met rode balpen een verkeerde o in Majokovski en zet hij een vraagteken in de marge, in een Majakovski-vertaling in hetzelfde nummer corrigeert hij een drukfout en in het nawoord van de vertaler, Marko Fondse, verandert hij de sterfdatum van Vladimir Majakovski’s collega Sergej Jessenin van 27 in 28 december. Timmer was graag precies.

Maar niet alleen drukfouten streepte Timmer aan, ook denkfouten. Vier van de tien Tirade-afleveringen die ik indertijd meenam zijn uit 1982, en dat was nou juist het jaar dat Jacques Hamelink en Floris Cohen nieuw in de redactie kwamen naast Herman Verhaar. Uitgever Geert van Oorschot, de ‘tiran van Tirade’ (zo heet een artikel van Ad Fransen in het Van Oorschot-nummer van Zacht Lawijd uit 2005), had zich in 1981 teruggetrokken. In de eerste aflevering onder het nieuwe regime, het al genoemde nr. 272/273, krast Timmer heftig in het programmatische ‘Aan de lezer’-tekst van Verhaar.
‘Russische notities’ heette Timmers vaste rubriek in Tirade sinds 1963 (als ik het goed zie in de onoverzichtelijke Tirade-monografie van Ton Velthuysen uit 1986). Het leuke van de Tirades van Timmer die nu in mijn kast staan is dat die rubriek overal ontbreekt. Niet omdat ze toevallig niet in mijn afleveringen stond, maar omdat Timmer uit alle nummers zijn bijdragen heeft verwijderd. Voor zijn persoonlijke archief, of om uit te delen. En zo liet Timmer, behalve zijn vele vertalingen, niet alleen herinneringen bij een collega na, maar ook leessporen en soms omvangrijke leegtes.

Eerder, op 2 juli 2010, gepubliceerd op www.textualscholarship.nl en hier licht gewijzigd.