woensdag 7 februari 2018


Leidse puinhoop (9?)


Het vullen van dit feuilleton is helemaal niet moeilijk, want elke week wordt weer duidelijk dat er in Leiden iets raars in het academische water zit. De afgelopen dagen was bijvoorbeeld Jan Hoekema in het nieuws, de voormalige burgemeester van Wassenaar, die creatief omgaat met overheidsgeld ten behoeve van zijn eigen welzijn; hij studeerde in Leiden.

En dan was er die kwestie van Peter van Bodegom, hoogleraar milieubiologie in Leiden, die boos werd omdat een medewerker van een waterschap een website maakte waarop andere gegevens stonden dan hij, die hoogleraar, had gevonden. Die eiste dat de website op zwart ging. Het waterschap luisterde naar de boze hoogleraar en zette de medewerker zelfs op non-actief. De Leidse universiteit publiceerde, toen er commotie ontstond, een verklaring waarin de primaire boosdoener, de boze hoogleraar, Van Bodegom, niet wordt genoemd. Het gaat hier volgens Leiden om een ‘conflict tussen werkgever en werknemer’ – en daar bedoelen ze niet zichzelf en Van Bodegom mee, maar het betrokken Hoogheemraadschap en de medewerker daar die op gezag van Van Bodegom aan de kant werd gezet. De Universiteit Leiden ‘treedt hierover in gesprek met het Hoogheemraadschap’ schrijven ze, maar dat zal geen oplossing brengen, want de ellende ontstond juist toen de Universiteit Leiden in de persoon van Van Bodegom (omdat Leiden hem niet noemt doe ik het maar zo vaak mogelijk) dat al een keer deed.

En dan dat plagiaat van Willem Vermeend. Die promoveerde in Leiden en doceerde er ook. Dat het een rare vogel was, wist ik al, want wat stel je verder nog voor als je als alibi-sociaaldemocraat voortdurend mag optreden in quasi-journalistieke media als de Telegraaf en WNL. Wat interessant is aan dit geval zijn de pogingen van auteur en uitgeverij om de kwestie de goede kant op te spinnen. Die uitgeverij heet Einstein Books, en die naam is vermoedelijk gekozen omdat de oprichter zichzelf heel er slim vindt. Die oprichter is Willem Vermeend, de zaak wordt gerund door diens dochter. In eerste instantie was er, zoals altijd bij deze vorm van diefstal, sprake van derden die hebben geprutst, van drukfouten, van misverstanden, er zijn maar een paar exemplaren met fouten in omloop etc. Maar al snel werd duidelijk dat het beter was om bakzeil te halen, en dus stelde Vermeend een verklaring op. En het leuke van die verklaring is dat je eraan kunt zien dat die Vermeend een matige beheerser van de Nederlandse taal is, maar ook dat de uitgeefster, dochter Vermeend, het niet nodig vond om redactioneel een handje te helpen.

De tekst van Vermeend begint zo: ‘Gistermiddag kreeg ik een mailtje van Marijn Duintjer Tebbens verslaggever Nieuwsuur die mij meldde dat in het boek De wereld van Cybersecurity en Cybercrime waarvan ik co-auteur ben een aantal passages zijn gekopieerd zonder vermelding van de bronnen.’ Behalve het gebrek aan komma’s is het woord ‘gekopieerd’ veelzeggend, want dat verraadt het copy-paste-procedé van Vermeend en/of zijn medeplichtige Van Rijbroek, die Vermeend in zijn verklaring ‘mede auteur’ noemt – met spatie. Vermeend draagt, zo staat het er, ‘de volle verantwoordelijk’ voor het gepik: ‘Ik kan me zelf wel voor mijn kop slaan voor deze stommiteit.’ Dat is inderdaad beter: je zelf voor de kop slaan vóór een stommiteit in plaats van erna.

De uitgever gaf eveneens een verklaring uit: dochter Vermeend legt, zoals zo vaak in dit soort gevallen, het probleem bij de consument en ‘betreurt de verwarring rond het boek’, maar legt ook meteen de schuld bij pa Vermeend en zijn Rijbroek: ‘Voorop staat dat alle auteurs van Einstein Books zich contractueel verplicht hebben zelf zorg te dragen en verantwoordelijk zijn voor de feitelijke juistheid en originaliteit van hun werk.’ Om meteen daarna weer eufemistisch te spreken over ‘twijfel over de authenticiteit van een aantal passages’. De passages zijn heus wel ‘authentiek’, hoor, ze zijn alleen gestolen.

De Open Universiteit, waar Vermeend hoogleraar ‘Economie 4.0’ is, gaf ook een verklaring uit, d.w.z.: ze voegden een paar regels toe aan een ronkend persbericht dat zo te zien door Einstein Books is geschreven. In de toegevoegde regels staat wel de belangrijke zin: ‘Ook al is dit geen wetenschappelijke publicatie, citeren zonder bronvermelding kan niet.’ En daarom zal ‘[z]o spoedig mogelijk […] een gesprek met [Vermeend] plaatsvinden over deze kwestie.’ Een gesprek met zichzelf zou ook goed zijn voor de Open Universiteit, want als dit geen wetenschappelijke publicatie is (wat moeilijk de ontkennen valt), waarom blijven ze er dan zo kritiekloos reclame voor maken?

Plagiaat plegen is een zielig soort diefstal. Zoiets als de inbreker die in de sneeuw bij zijn buren gaat inbreken. Je hoeft de politie er maar bij te halen, die volgt de voetstappen in de sneeuw naar de overkant van de straat, waar ze de gestolen spullen vinden en Gerrit Dekzeil arresteren. Maar het werkt helaas niet altijd zo. Lees het onderstaande geval, dat zich eveneens in Leiden afspeelde: er vond een diefstal plaats, de politie werd erbij gehaald, die de sporen van de inbraak in de sneeuw volgde en de dief thuis met zijn gestolen waar aantrof. Maar vervolgens kreeg de aangever van de diefstal te horen dat er niets aan de hand was en gingen de agenten gezellig met de inbreker een borrel drinken:


vrijdag 2 februari 2018

Ik kan Marx toch niet goed uitstaan [1994]



























































































Uit: NRC Handelsblad, 7 april 1994, Achterpagina.

vrijdag 26 januari 2018

‘Wir ziehen morgen um’. Eine bisher unveröffentlichte Postkarte von Friedrich Engels an Karl Kautsky’ [2003]


[Inleiding 2018: Wie over Karl Marx publiceert, moet ook af en toe iets met diens maat Friedrich Engels (1820-1895) doen. Dat deed ik een paar keer, onder andere in een Festschrift voor Götz Langkau, mijn baas, collega en leermeester op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam van 1978 tot 2000. Het gaat om de eerste publicatie van een briefkaart van Engels aan zijn Oostenrijkse geestverwant Karl Kautsky (1854-1938), die overigens het laatste halfjaar van zijn leven in ballingschap in Nederland woonde en daar ook overleed. Zijn graf is op de begraafplaats Driehuis-Westerveld. Zoals in mijn inleiding beschreven staat, kwam het kaartje uit een nagekomen deel van de nalatenschap van de voormalige IISG-medewerker en Marx-kenner Werner Blumenberg, die het wellicht van een familielid van Kautsky had gekregen en vergeten was mee naar het IISG te nemen. Ook Blumenberg (1900-1965) was een Duitse balling: hij kwam in 1936 naar Nederland.
          De tekst van de briefkaart is in de vorm gepubliceerd die hij ook in de Marx-Engels-Gesamtausgabe (MEGA) moet krijgen, zodra die editie aan de brieven uit 1885 toe is. En dat duurt nog wel even.]

Oorspronkelijk gepubliceerd in: Ursula Balzer, Heiner M. Becker, Jaap Kloosterman (red.), Kein Nachruf! Beiträge über und für Götz Langkau. Amsterdam: IISG, 2003, p. [98]-[100].

woensdag 24 januari 2018

Leidse puinhoop (nog een vervolg)


                                           ‘I know it’s complicated, but it’s important’ (Phil Mudd)

Ik luisterde met enige vertraging maar met veel belangstelling naar een gesprek dat Max van Weezel in het radioprogramma Met het oog op morgen op 30 december 2017 had met vader Hans en zoon Onno Blom. Dat gesprek ging voor een deel over het gedoe rond de promotie van Blom junior. Die zegt tijdens dat gesprek dat de kwestie zich alweer een tijdje geleden heeft afgespeeld en nu voorbij is, maar dat eerste is maar relatief en het tweede is volgens mij niet waar. Ik heb in elk geval nog geen antwoord op mijn diverse vragen gekregen, en zolang ik hier op mijn zeepkist vind dat het gedoe nog niet over is, is het gedoe nog niet over.

Er zijn ook weer wat vragen en vraagtekens bijgekomen naar aanleiding van wat Blom junior en senior tijdens het gesprek zeggen. Blom jr. heeft bijvoorbeeld de indruk dat NRC Handelsblad, de krant die de meeste aandacht besteedde aan de kwestie, meende wetenschappelijke fraude op het spoor te zijn. Persoonlijk had ik meer de indruk dat de NRC-mensen, zonder die term, geloof ik, te gebruiken, vraagtekens zetten bij de wetenschappelijke integriteit, bij het wetenschappelijk fatsoen, en ik denk, zoals bekend, dat ze daar een punt hadden. Wetenschappelijke fraude is een onderdeel van de wetenschappelijke integriteit – kijk maar in De Nederlandse Gedragscode voor Wetenschapsbeoefening. En die geldt ook in Leiden. Het lijkt mij dat de wetenschappelijke integriteit in het geding is wanneer het plaatselijke promotiereglement (dat regelmatig verwijst naar de Gedragscode) door de verantwoordelijke ambtenaar wordt genegeerd om een oplossing te vinden voor het unanieme afkeuren door een promotiecommissie van een proefschrift van de zoon van een met de promotor bevriende emeritus hoogleraar, wanneer de tweede promotor, ook weer in strijd met het promotiereglement, wordt gepasseerd en wanneer de leden van de promotiecommissie op een absurde manier zwart worden gemaakt door de promotor – en nu, in het radio-interview, ook door de jonge doctor en diens pa, de emeritus.

Promotor Willem Otterspeer had in de krant al negatief gedaan over de ‘eerste’, de echte promotiecommissie, en pa Blom doet dat op de radio, je kunt niets anders verwachten, nog een keer fors over. Hij suggereert dat de kritiek op het proefschrift van zijn zoon niet inhoudelijk is, maar ‘intellectueel mager’ en ingegeven door ‘methodische heerszucht’, door ‘onverdraagzaamheid’. Blom jr. voegt daar nog aan toe dat de leden van de tweede promotiecommissie ‘gekende, goede biografen’ waren, ‘hoog aangeschreven hoogleraren’ die wél vinden dat je op een biografie kunt promoveren. Deze mededelingen zijn van alles: ten dele feitelijk incorrect (twee van de vijf leden van de tweede commissie zijn geen hoogleraar en een is geen biograaf), maar vooral heel erg brutaal, want ook de leden van de eerste, echte promotiecommissie zijn biograaf en/of hoogleraar en/of hoog aangeschreven, en ik weet  of veronderstel met enige inzicht – dat ze allemaal, de leden van allebei de commissies dus, vinden dat je in principe op een biografie kunt promoveren. Want je gaat natuurlijk niet in een promotiecommissie zitten die over een biografie moet oordelen wanneer je principieel vindt dat je op een biografie niet kunt promoveren. Wat Otterspeer en de Blommen over de leden van de eerste commissie zeggen is kwaadaardig, want de heren weten dat het niet waar is.

Je nodigt als promotor, lijkt mij, voor een promotiecommissie mensen uit met verstand van zaken, en je zorgt ook zo goed voor je promovendus dat je geen mensen vraagt die je doctor-in-wording al bij voorbaat de grond in willen boren. Een proefschrift is, het woord zegt het al, een proeve van bekwaamheid, en het oordeel wordt geveld door mensen die die bekwaamheid al hebben bewezen. In het geval-Blom wordt de boel omgedraaid: het oordeel van de commissie over de proeve van bekwaamheid wordt voorgesteld als bewijs van de onbekwaamheid van de leden van de commissie – en dat nog wel door de afgewezenen: de promotor en de promovendus (en diens pa). Dat is nogal curieus. Blom jr. maakt in het radio-interview ook nog de vergelijking met een literaire jury: ‘Zeg mij wie er in de jury zitten, en ik vertel je wie de winnaar is,’ of woorden van gelijke strekking gebruikt hij. Als die logica ook in zijn biografie wordt toegepast (ik moet het boek nog lezen), zou dat al een reden voor afwijzing zijn, want wie was de samensteller van de ‘jury’ bij Bloms promotie? Zijn promotor, de ‘Wijze uit het Westen en het Oosten’ (okay: een paar bladzijden heb ik natuurlijk wel gelezen), die dus allemaal klunzen uitnodigde om zijn protegé een prijs te onthouden. Ik pas de logica maar even toe: zeg mij wie de promotor is, en ik zeg je wat de kwaliteit van het proefschrift is. Had ik al verteld dat ik die Hermans-biografie van Otterspeer helemaal niks vind?

Maar goed: wat graag wordt vermeld, ook in dit gesprek in Met het oog op morgen, is dat de ‘tweede’ commissie unaniem het proefschrift goedkeurde. Wat dan weer niet wordt gezegd is dat de eerste, de echte dus, de dissertatie unaniem afkeurde. Het is, met dat gegeven en het promotiereglement in het achterhoofd, ook helemaal niet waar wat de verantwoordelijke decaan van de Leidse Faculteit Geesteswetenschappen noemt als reden om de eerste commissie te ontslaan en in strijd met de reglementen een nieuwe te benoemen, namelijk dat er een totaal gebrek aan overeenstemming was bij het beoordelen van het proefschrift. Er was, integendeel, bij de mensen die moesten oordelen, totale overeenstemming, alleen was de promotor het daar niet mee eens, en dat is dikke pech voor hem en zijn promovendus. Wat Otterspeer op dat moment had moeten doen, weer volgens het promotiereglement, is met zijn promovendus aan de slag gaan en hem een beter proefschrift laten inleveren, zonder haast, zonder de niet-wetenschappelijke, commerciële druk die er nu is geweest. 

Ik vermoed overigens dat over het algemeen de indruk over een promotiecommissie is dat die na een stevige vergadering met flinke discussies en veel koffie tot haar besluit komt, maar dat is in Leiden niet zo: volgens promotiereglement daar leveren alle commissieleden afzonderlijk hun bevindingen bij de secretaris in, zonder vergadering, zonder overleg met elkaar, zonder met elkaar bekonkelde ‘methodische’ heerszucht dus. Vijf gekende biografen en anderszins hoog aangeschreven academici gaven dus hun oordeel – en dat was, ik zeg het nog maar eens, unaniem afwijzend. Bij de tweede commissie was dat net zo, en er is, hoe dan ook, geen reden om te twijfelen aan het zelfstandige en deskundige oordeel van deze tweede commissie, die niet eens wist dat ze onreglementair was (behalve dat ene lid natuurlijk dat om voorlopig onbekende redenen lid was van allebei de commissies, en die dus tussen de ene commissie en de andere in volgens de promotor en de Blommen van een kluns in een deskundige veranderde).

We hebben ondanks dat laatste, zolang we de  redenen van af- en goedkeuring van het proefschrift niet kennen, geen redenen om te twijfelen aan de oprechtheid van het oordeel van de leden van de beide commissies. We kennen die redenen niet, omdat in paragraaf 1.5 van het promotiereglement van de Universiteit Leiden dit staat: ‘Met betrekking tot hetgeen is besproken in de bijeenkomsten van de promotiecommissie en de oppositiecommissie, […] dan wel tijdens de geschillenprocedure of de procedure die kan leiden tot de toekenning van het predicaat “cum laude”, zijn de daarbij aanwezigen tot geheimhouding verplicht.’ Er is in elk geval één persoon die zich niet aan die geheimhoudingsplicht heeft gehouden, en dat is de promotor, want die begon in de krant over de motieven van de leden van de eerste promotiecommissie. Maar laat ik het nuanceren: als de leden van de eerste en echte promotiecommissie inderdaad hebben laten weten dat ze het proefschrift afkeuren omdat een biografie geen proefschrift kan zijn, dan schendt Otterspeer de geheimhoudingsplicht. Als ze dat niet hebben gezegd (wat meer voor de hand ligt), klets hij met kwade bedoelingen uit zijn nek. En de promovendus en zijn pa doen het hem na. Die schending van de geheimhoudingsplicht dan wel het opzettelijk jokken zijn, net als het beledigen van collega-wetenschappers en het knoeien met promotiereglementen, redenen om heel vette vraagtekens te zetten bij de wetenschappelijke integriteit van diverse personen die een rol speelden bij de promotie van Onno Blom.

Zo, ik ga maar weer eens wat vragen voorleggen aan de een of andere instantie van de Universiteit Leiden. Eens kijken wat dat oplevert.

donderdag 11 januari 2018

Bibliographie der in Buch- oder Broschürenform in niederländischer Übersetzung publizierten Werke von Karl Marx und Friedrich Engels [1992]

In 1992 begon ik over Karl Marx te publiceren. Ik werkte op een instituut dat zijn papieren nalatenschap bewaart, het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam, op de afdeling nog wel die over hem ging. Er werd samengewerkt met het Karl-Marx-Haus in Marx’ geboorteplaats Trier, en daar organiseerden ze in april 1991 een colloquium over ‘Die Rezeption der Marxschen Theorie in den Niederlanden’. Ik kan me niet herinneren dat ik bij dat colloquium aanwezig was, maar voor, tijdens en na deze bijeenkomst was er een tentoonstelling over ‘Die Verbreitung der Werke von Karl Marx und Friedrich Engels in den Niederlanden’, en die stelde ik samen. Een jaar later verscheen de congresbundel, en daarvoor maakte ik met het materiaal van de tentoonstelling een illustratiegedeelte. Het werk aan de tentoonstelling maakte duidelijk dat er wel het een en ander schortte aan de kennis over Marx in Nederland, bijvoorbeeld wat de informatie over diens Nederlandse familieleden betreft. In de congresbundel publiceerde ik tien brieven uit een Russisch archief die tot op dat moment voor het merendeel alleen in het Russisch gepubliceerd waren – het was de eerste aanzet tot wat uiteindelijk zes jaar later mijn proefschrift zou worden.
          Een verrassende constatering tijdens het werk aan de tentoonstelling was dat er geen goed overzicht was over wat er van Karl Marx en Friedrich Engels in het Nederlands was gepubliceerd. Ger Harmsen had er wel over geschreven, maar met onvolledige gegevens. In de congresbundel Marcel van der Linden (red.), Die Rezeption der Marxschen Theorie in den Niederlanden. Trier: Karl-Marx-Haus, 1992, pp. 455-473, publiceerde ik een ‘Bibliographie der in Buch- oder Broschürenform in niederländischer Übersetzung publizierten Werke von Karl Marx und Friedrich Engels’, die ik hieronder als scans en dus ongewijzigd weergeef.
          In de loop van dit Marx-jaar 2018 ga ik eens kijken of ik deze bibliografie kan aanvullen en verbeteren, al was het maar om te zien of ik met behulp van het internet veel verder kom. Voor het Communistisch Manifest heb ik dat werk intussen gedaan in mijn artikel ‘“Vertaalarcheologen aller landen, verenigt u!” Over het Communistisch Manifest in het Nederlands’. In: Filter. Tijdschrift over vertalen, 23 (2016), afl. 4, p. 11-20.









woensdag 3 januari 2018

Marx moet maar even in de ijskast [2000]


De mensheid vierde eind 1999, volgens menigeen een jaar te vroeg, dat er alweer duizend jaar om waren. In een van de vele millenniumpolls vroeg de BBC aan de wereld wie de meest invloedrijke denker van de afgelopen duizend jaar was. De winnaar was de Duitse filosoof Karl Marx, naamgever van de ideologie die in de twintigste eeuw de wereld verdeelde. De mening van de door de BBC ondervraagde Stem des Volks is opmerkelijk, want algemeen werd verondersteld dat sinds de val van de in naam van het marxisme bestuurde Oost- Europese staten, tien jaar geleden, Marx niet alleen was doodverklaard maar ook gecremeerd, begraven en behandeld met ongebluste kalk.
          In de jaren zestig van de twintigste eeuw leefde onder veel mensen, socialist of niet, het idee dat het socialisme de wereld ging veroveren. Studenten zorgden voor onrust, regeringen vreesden revolutie. Marx en Mao werden massaal gelezen en geciteerd. Toen in diezelfde tijd in Utrecht de grote nieuwe wijk Overvecht werd aangelegd, zocht men namen voor de straten tussen en rond de flats. Een straatnamencommissie bedacht, in de geest van de tijd, dat een van die straten Karl Marxdreef moest heten. Maar, zo lijkt de commissie te hebben gedacht, je kunt het mensen toch niet aandoen om aan een straat met zo’n naam te wonen? En dus werd de Karl Marxdreef een lege scheurstraat helemaal aan de rand van de stad, waar niemand woont. Het is haast symbolisch voor het Marx-beeld van nu: Marx was een belangwekkend denker, maar wat we verder met hem aan moeten, is niet duidelijk.

Grote baard
Wie een straatnaambordje siert, moet ooit een mens van vlees en bloed zijn geweest. Op de Karl Marxdreef komen weinig toevallige passanten langs die je kunt ondervragen over de persoon die op het straatnaambordje vermeld staat. Maar als je dat op de woensdagmarkt van de studentenstad Utrecht zou doen, zou je toch al snel de ruwe omtrekken van een biografie hebben: socialist, schrijver, negentiende eeuw, het Communistisch Manifest, Het Kapitaal, grote baard. Neem er een encyclopedie en wat handboeken bij en je weet dat Marx in 1818 in Trier in het Rijnland wordt geboren als zoon van twee joodse ouders. Zijn vader, een jurist, laat zich rond de geboorte van zijn zoon Karl protestants dopen; zijn moeder, afkomstig uit Nijmegen, doet dat pas in de jaren 1820 omdat haar Nederlandse familie ertegen is. Marx studeert, promoveert op een filosofisch onderwerp aan de universiteit van het Duitse Jena en begint zich aan het begin van de jaren 1840 te roeren in de radicaaldemocratische, communistisch-socialistische beweging.
          Maar de gemakkelijk schrijvende en gepassioneerd polemiserende Marx krijgt het al gauw aan de stok met de conservatieve Pruisische autoriteiten en vertrekt naar het buitenland. Voordat hij definitief in Londen gaat wonen, verblijft hij langere tijd in Brussel en Parijs. In Londen schrijft hij zijn goed gedocumenteerde boeken en artikelen, die hem internationale bekendheid bezorgen. In de jaren 1860 en 1870 is hij ook nog partijpoliticus: hij probeert met een internationaal gezelschap de Internationale Arbeiders Associatie (IAA) op te zetten, die na een paar jaar bezwijkt aan ideologische twisten. De IAA komt aan haar eind tijdens een congres in Den Haag in 1872, als de fractie-oorlog tussen de aanhangers van Marx en die van de Russische anarchist Bakoenin de organisatie splijt. Marx zegt de actieve politiek vaarwel en gaat door met het schrijven van artikelen en boeken. Als hij in 1883 overlijdt staan er slechts een paar mensen rond zijn graf op het Londense Highgate Cemetery, maar zijn dood wordt over de hele wereld gemeld en zijn leerlingen en exegeten staan klaar om zijn theorieën onder de naam marxisme pasklaar te maken voor revoluties en staatsorganisaties.

Wodka en it
Marx en marxisme zijn in de loop van de tijd synoniemen geworden. De man werd een symbool voor de wens van miljoenen om de wereld te zien veranderen. Het woord Marx werd een ideologische merknaam, tegenwoordig zo inhoudsloos dat het indrukwekkende bebaarde hoofd van Marx en zijn naam reclame kunnen maken voor wodkamerken en it-diensten. Maar ook niet lang na zijn dood, honderd jaar geleden, was Karl Marx al geschikt om een product aan te prijzen. Onlangs werd op een internetveilinghuis een sigarenkistje aangeboden dat aan het eind van de negentiende eeuw werd gevuld door de Commonwealth Co-operative Association in Reading, Pennsylvania. Veel Amerikaanse sigarenmakers waren van Europese afkomst en hadden hun socialistische idealen meegenomen naar de Nieuwe Wereld. In een van de coöperatieve bedrijven van de sigarenmakersbond maakten zij een sigaar die zij ‘Karl Marx’ noemden. Een zelfgemaakt portret van de meester zetten ze op de zijkant. Ooit kocht iemand zo’n kistje, rookte de sigaren op en maakte er vervolgens een spijkerdoos van. Naast het portret van Marx schreef hij met potlood ‘nails’. De tijd heeft een paar spijkers op de bodem van het kistje vastgeklonken, dat mij uiteindelijk, inclusief verzendkosten, nog geen 10 kapitalistische dollars kostte. Het staat nu op mijn Marx-plankje en is, net als de scheurstraat in Overvecht, te zien als symbool voor Marx, het marxisme en hun erfenis: voor vele doeleinden te gebruiken.
          Tien jaar na het afbreken van het IJzeren Gordijn lijkt er een Marx-revival op handen. Met een stroom van publicaties waarvan de biografie Karl Marx van de Britse journalist Francis Wheen het voorlopige hoogtepunt vormt. Het boek verscheen in Engeland in de herfst van 1999; onlangs kwam de Nederlandse vertaling uit. De reacties op Wheens boek hadden een gemeenschappelijke strekking: de verbazing over het feit dat Marx eigenlijk een mens van vlees en bloed was. Die verbazing lijkt nieuw maar is het niet. Ze manifesteerde zich al in 1872, toen Marx voor een congres van de eerder genoemde iaa in Nederland was. Hij was toen ook al zo bekend en berucht dat het de liberale Haagse journalist S.M.N. Calisch tegenviel dat hij zo normaal was: ‘In zijn grijs pakje ziet hij er zeer comme il faut uit, iemand die hem niet kent en die niet onder den invloed verkeert van de nachtmerrie der gevreesde Internationale, zou hem voor een toerist houden die een voetreis doet.’ Zijn Nederlandse familieleden, want Calisch weet dat hij die heeft, kunnen hem dan ook gerust ‘in gezelschappen presenteeren of naar Artis met hem gaan thee drinken’.
          Marx als gewoon mens dus. En als we de reacties op de nieuwste Marx-biografie moeten geloven, dan kunnen we dankzij Francis Wheen iets ontdekken dat we nog niet wisten. Maar dat lijkt onwaarschijnlijk. Wie in de catalogus van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam, waar een groot deel van het persoonlijke archief van Marx wordt bewaard, zoekt naar publicaties met het woord ‘Marx’ in de titel, krijgt zo’n 2700 hits. Er zijn tientallen wetenschappelijke of populairwetenschappelijke biografieën verschenen, honderden inleidingen in zijn werk, vele duizenden propagandawerkjes, tienduizenden artikelen. Over Marx zelf, zijn vrouw en dochters, zijn artsen en zijn vrienden, zijn woonadressen en vakantieoorden, zijn joodse afkomst en antisemitisme, zijn vroege en late, bekende en onbekende werk. Dat werk is trouwens in zijn geheel uitgegeven en een historisch-kritische editie ervan, inclusief de correspondentie, is al vele jaren in de maak. Sinds het begin van de jaren negentig was de coördinatie van deze Marx-Engels- Gesamtausgabe (MEGA) in handen van het IISG, nadat in de DDR en de Sovjet-Unie de geldkraan daarvoor was dichtgedraaid. Maar het afgelopen jaar heeft ook het IISG, volgens Wheen de ‘laatste rustplaats van Marx’ brieven en manuscripten’, de grote Duitse filosoof doodverklaard: de MEGA werd aan de Duitse wetenschap teruggegeven en elke verdere Marx-deskundigheid de deur uitgedaan.
Bare facts
De eerste biografische schets over Marx verscheen al tijdens zijn leven en wel in Nederland. In 1879 publiceerde Arnold Kerdijk in de reeks ‘Mannen van beteekenis in onze dagen’ een ruim tachtig pagina’s tellend portret. Kerdijk was als liberaal geen Marx-fan en Marx (die Nederlands las) was dan ook niet tevreden over het eindresultaat. H.P.G. Quack besteedde in zijn Socialisten uitgebreid aandacht aan de Duitse denker en al in 1890 verscheen het eerste Nederlandse proefschrift over Marx: C.A. Verrijn Stuart werd doctor in de staatswetenschap met het onderwerp Ricardo en Marx. Eene dogmatisch-historische studie. Rond de eeuwwisseling publiceerden Jos Loopuit, Christiaan Cornelissen en Melchior Treub boeken over Marx en zijn ideeën. Ook aan biografieën in het Nederlands is geen gebrek: bij De Slegte zijn ze allemaal te vinden. Al in 1921 vertaalde Jan Romein de omvangrijke Marx- biografie van Franz Mehring, die lang als standaard gold. In de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw leidde de revolutionaire stemming in Nederland tot vertalingen van biografieën van Werner Blumenberg, Fritz J. Raddatz, David McLellan en Isaiah Berlin. En de Nederlandse uitgaven van het werk van Marx zijn ook ruim voorhanden: sinds 1871 verschenen in boekvorm een stuk of zeventig verschillende uitgaven van werk van Marx.
          Wie de tientallen boeken over Marx bekijkt die zichzelf als biografieën presenteren, komt al snel tot de conclusie dat de meeste van die boeken niet over Marx’ leven gaan maar over diens werk en dan vooral over de interpretatie van diens werk. Deze boeken beginnen met een paar bladzijden afkomst, jeugd en studie, op het eind staat nog ergens een sterfdatum en de rest zijn uittreksels. Het hoogtepunt op dit gebied is het boek Marx 1818-1883 van de Fransman Henri Lefèbvre (uit 1947), dat slechts twee biografische data bevat: de jaartallen op de titelpagina. Voor dit soort biografen gaat het om Marx als merknaam, om het marxisme, en niet om de persoon van Karl Marx. Maar bij Francis Wheen gaat het daar wel om. Hij vertelt het leven van Marx, zoals zijn recensenten al juichend constateren, op een zeer leesbare manier. Niet dat dat nooit eerder was gebeurd, ook al wordt dat wel gesuggereerd. De al genoemde biografieën van McLellan (1973) en Raddatz (1975) zijn daar goede voorbeelden van. Ook daar werd Marx ‘losgeklopt’: het waren boeken met voetnoten, met een wetenschappelijke pretentie dus, en ze waren goed gedocumenteerd en geschreven. Wheen doet het niet veel anders.
          Maar Raddatz en McLellan hadden in hun tijd een probleem: zij waren ideologisch partijdig, want kwamen uit het Westen. Elke formulering en interpretatie in hun boeken had potentieel met die Oost-West-tegenstelling te maken. Een Marx-biograaf van nu heeft dat probleem niet meer. Maar hij heeft weer andere zorgen: hij moet eigenlijk opnieuw beginnen. Hij moet elke bron opnieuw bekijken en screenen op authenticiteit en ideologische gecorrumpeerdheid. Hij moet terug naar de bare facts en de archieven. Naar de ongepubliceerde bronnen, want die zijn er nog steeds: duizenden brieven aan Marx bijvoorbeeld. Maar Francis Wheen is niet opnieuw begonnen. In zijn boek wordt geen enkele relevante ongepubliceerde bron geciteerd, er staat geen enkel nieuw feit in en er wordt geen nieuwe visie op Marx gegeven. Hij heeft braaf de algemene literatuur gelezen en die prettig leesbaar verwerkt. De recensenten zijn waarschijnlijk zo verrast omdat zij zich nooit eerder met Marx hebben beziggehouden.
          Wheen heeft nog een ander probleem: hij is niet nauwkeurig genoeg. Zo staat Marx’ geboortehuis, het tegenwoordige Marx-museum, in de Brückengasse, niet in de Brückergasse. Dat lijkt zout op een slak, maar je ziet Wheen opeens niet meer als een bedevaartganger in de sporen van Marx door de straten van Trier lopen, maar snel even naar de openbare bibliotheek in een Londense buitenwijk rennen om daar uit een willekeurige Marx-biografie de naam van de straat verkeerd over te nemen. Nog zo’n fout staat op de eerste bladzijde van het eerste hoofdstuk. Wheen citeert uit een brief van Marx uit 1856 de zin ‘Gezegend is hij die geen familie heeft’ en vertelt dan dat Marx op het moment dat hij deze uitspraak doet zijn vader, drie broers en een zus al heeft verloren. ‘Een andere zus stierf twee jaar later’, schrijft Wheen. In werkelijkheid waren er al twee zusters van Marx overleden, in 1845 en in 1847. Wat zijn de feiten in de rest van het boek dan nog waard?

Bedelbrieven
De literatuur over Marx is voor een deel mythologie, waar de echte feiten nog steeds moeilijk tegenop kunnen. Volgens bijna alle biografen bestaat het voorgeslacht van Marx zowel van vaders- als van moederskant uit rabbijnen. Ook Wheen neemt dat zonder meer over en betitelt Marx’ Nijmeegse grootvader Isaac Heymans Presburg als rabbijn. Wat deze niet was, zoals hij op het IISG en in het Karl-Marx-Haus in Trier zonder veel moeite te weten had kunnen komen. Marx’ geldgebrek is ook een dankbaar onderwerp in elke biografie. Wheen schrijft: ‘Als eerbiedwaardige grijsaard bleef hij nog altijd de verloren zoon die bedelbrieven naar rijke ooms stuurde of in de gunst probeerde te komen bij verre neven die misschien binnenkort hun testament lieten opmaken.’ Bij dergelijke zinnen hoort een voetnoot met een bron, maar die ontbreekt bij Wheen, wat logisch is, want een dergelijke bron is er niet. Toen Marx een eerbiedwaardige grijsaard was (nota bene: hij werd maar 65), was de enige rijke oom waarmee hij correspondeerde al een jaar of vijftien dood. De bewaarde briefwisseling met die rijke oom, Lion Philips in Zaltbommel, loopt van 1861 tot 1865. Lion Philips beheerde het geld van Marx’ moeder vóór en na haar dood (in 1863) en Marx had dus het grootste recht van de wereld om brieven aan zijn oom over geld te schrijven. Maar: geen enkele bewaarde brief gaat daarover. Ook is er geen enkel document dat gaat over de testamenten van ‘verre neven’. De neven die Wheen bedoelt waren de zoons van Lion Philips, die getrouwd was met een zuster van Marx’ moeder.
          Wheen valt ook in de ideologische valkuilen die hij als biograaf van na de Muur zou moeten vermijden. Zo beschrijft hij de onenigheid die Marx aan het begin van zijn carrière had met een groep Berlijnse ‘jong-hegelianen’. In de taal van Wheen hebben deze heren ‘dolle streken’, ‘jeugdige fratsen’, doen ze aan ‘pretentieuze vrijdenkerij’, zijn ze kortom een ‘losbandige kliek’ en een ‘bende’. Wat ze wellicht waren, maar misschien ook niet. Bij zo’n mening hoort een overtuigende voetnoot, die natuurlijk ontbreekt. Wheen kiest kritiekloos de zijde van zijn onderwerp, wat toch algemeen wordt beschouwd als een doodzonde voor biografen. Maar, het moet gezegd worden, het is leuk om te lezen.
          Moeten we eigenlijk nog iets met Marx en diens leven? Waarom niet, zou daarop het antwoord kunnen zijn. Recentelijk promoveerden aan de Universiteit Utrecht mensen op ‘rare-earth doped polymer waveguides and light emitting diodes’ en ‘immunomodulatory properties of b-adrenoceptor agonists concepts for therapy of acute inflammatory disorders’. Dus waarom zou een historicus niet kunnen werken aan het definitieve bewijs dat de theorieën van Marx altijd kloppen of nooit of ten dele. En waarom zou iemand zich niet eens gaan bezighouden met een wetenschappelijke biografie van Karl Marx.
          Dit alles met de nadruk op het woord wetenschappelijk. Er wordt al, zoals boven vermeld, gewerkt aan een grote wetenschappelijke editie van het complete werk van Karl Marx en dat moet in rust worden afgemaakt. Vooral de brievendelen ervan zullen belangrijk zijn voor de eerste echte wetenschappelijke Marx-biografie die dan gefundeerd kan verschijnen. Zo’n biografie moet dik zijn en saai en vol met details en lange, genuanceerde zinnen met duizenden voetnoten. Voor het grote publiek moet Marx dan maar een tijdje in de ijskast. Totdat de wetenschap de techniek heeft gevonden om hem weer als mens en invloedrijk denker te voorschijn te laten komen.

MARX. EEN BIOGRAFIE, door Francis Wheen (vertaling Albert Witteveen), 380 p. De Bezige Bij, ƒ 59,50

Eerder verschenen in aflevering 10 (december) van de jaargang 2000 van het Historisch Nieuwsblad, p. 26-30, en hier licht redactioneel aangepast. De foto van het sigarenkistje heb ik toegevoegd.  In de originele vorm ook op historischnieuwsblad.nlmaar daar omringd en onderbroken door reclame voor Marx-publicaties die niet in mijn artikel voorkomen.
Op 3 januari 2018 zette ik dit als introductie op de link naar het stuk hierboven: In de afgelopen kwarteeuw heb ik twee boeken en een dozijn artikelen/artikeltjes over Karl Marx (en Friedrich Engels) gepubliceerd. Niet als ‘ouwe sosjalist’, zoals iemand hier onlangs veronderstelde, maar als wetenschapper, eerst als medewerker van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, waar zich de persoonlijke archieven van de beide heren bevinden, en later als de historicus die ik met een proefschrift over Marx werd. Dat proefschrift ging niet over de ideologie van Marx, maar probeerde, net als de meeste andere stukken, eerdere publicaties over hem te ontideologiseren en te deromantiseren door feiten aan te vullen, te corrigeren en te nuanceren. In 2000, toen Marx al een tijdje doodverklaard was, was dat nodig, en nu hij weer springlevend lijkt, is dat volgens mij nog steeds het geval.

woensdag 20 december 2017

Leidse puinhoop (vervolg)

De aandacht voor de met procedureel geknoei omgeven Leidse promotie van Onno Blom op een biografie van Jan Wolkers is alweer voorbij, en dat is jammer, want ik had als geïnteresseerd burger toch wel graag wat meer helderheid gehad over wat er nu precies gebeurd is. Echte wetenschap is alleen mogelijk als het open en transparante wetenschap is, en die transparantie moet ook aanwezig zijn over de procedures en het volgen daarvan bij het verwerven van een hoge academische graad.

Dus ik dacht: ik vraag het eens aan de Universiteit Leiden. Niet aan de decaan van de Faculteit Geesteswetenschappen, aan het College voor Promoties of aan het College van Bestuur, want die zijn allemaal partij in deze kwestie. Ik dacht: ik vraag het aan de Vertrouwenspersoon Wetenschappelijke Integriteit, want de digitale organisatiegids van de Universiteit Leiden stelt ons de vraag: ‘Waarmee kunt u terecht bij de vertrouwenspersoon wetenschappelijke integriteit?’ Het antwoord is: met ‘Vragen en klachten over wetenschappelijke integriteit’. Dezelfde vertrouwenspersoon is er ook voor ‘Assistentie bij pogingen om te bemiddelen of de klacht anderszins in der minne op te lossen’ en voor ‘Advies en wegwijs bij het indienen van een klacht bij de commissie’.

Juist vanwege die ‘vragen en klachten’ leek deze functionaris mij een goede instantie om vragen te stellen die tot nu toe zonder antwoord bleven. Ik begon mijn e-mail aldus:

‘Ik wend mij tot u in uw hoedanigheid van vertrouwenspersoon wetenschappelijke integriteit van de Universiteit Leiden omdat ik twijfels heb over de correcte gang van zaken rond de promotie van Onno Blom aan uw Universiteit op 19 oktober 2017. Die twijfels hebben te maken met de correcte toepassing van het Promotiereglement en met de mededelingen van betrokkenen over de gang van zaken in de pers en elders. Ik laat hier een korte samenvatting van wat er zich – voor zover ik dat kan overzien – heeft afgespeeld achterwege, in de veronderstelling dat u de kwestie uit hoofde van uw functie hebt gevolgd en gedocumenteerd.’

En daarna volgden mijn vragen en bedenkingen, die er ongeveer zo uitzagen – ongeveer, want ik heb er nog een klein beetje aan gesleuteld:

*
1 De decaan van de Faculteit Geesteswetenschappen van de Universiteit Leiden, Mark Rutgers, laat op 10 november in NRC Handelsblad weten dat hij in overleg met promotor Willem Otterspeer de eerste promotiecommissie ontbond ‘na het negatieve oordeel’ van die commissie over het ingediende proefschrift. Omdat een ontbinding om die reden niet in het Leidse promotiereglement voorkomt, zou naar mijn mening logischerwijs een artikel aan de orde zijn dat wel in het reglement voorkomt. Artikel 38 zegt namelijk: ‘Bij verschil van mening over de interpretatie van één of meer artikelen van dit reglement en in de gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist het College voor Promoties.’ In het reglement is er veelvuldig sprake van dat de decaan iets namens het College voor Promoties doet, in deze paragraaf is de formulering en dus ook de bedoeling anders. Op grond van wat de decaan in NRC Handelsblad vertelt, concludeer ik dat deze kwestie niet aan het College voor Promoties is voorgelegd en er dus niet volgens het promotiereglement is gehandeld. Als de kwestie wel in het College voor Promoties aan de orde is gesteld en dus ook het College van Bestuur van de Universiteit Leiden op de hoogte was, had de decaan aan NRC Handelsblad duidelijk moeten maken dat hij namens een van deze Colleges sprak, of hij had de krant naar die colleges moeten verwijzen.

2 Een vraag die daar mee samenhangt is: moet ik uit de formulering van de decaan concluderen dat hij uitsluitend met Otterspeer heeft overlegd, en niet met de tweede promotor, die er, zo moet ik veronderstellen, ook bij de eerste aanloop tot promotie was en niet alleen bij de tweede (zie de uitnodiging voor de promotie op de website van de Universiteit Leiden). Een tweede promotor heeft dezelfde formele positie als de eerste en moet dus, lijkt mij, gelijkwaardig in alle beslissingen worden betrokken.

3 Nog een vraag over de tweede promotor. De paragrafen 6.5 en 6.6 van het Leidse promotiereglement gaan over de aanwijzing van tweede, derde en copromotoren. De bedoeling van deze aanwijzingen is, zoals het reglement ook zegt: ‘te verzekeren dat de promovendus ten minste twee begeleiders heeft’. Zoals uit mijn twee eerdere punten al blijkt, is er onduidelijkheid over de aanwezigheid en dus de rol van een tweede promotor. De manier waarop de promovendus in het uiteindelijke resultaat van het promotietraject, Het litteken van de dood. De biografie van Jan Wolkers, in zijn dankbetuiging zijn promotoren bedankt, verschilt zo van elkaar, dat ik moet betwijfelen of de manier waarop de tweede promotor bij de promotie betrokken was wel als ‘begeleiding’ kan worden aangemerkt. Over de eerste promotor zegt Blom dit: ‘Mijn respect en bewondering gaan uit naar Willem Otterspeer, Wijze uit het Westen en het Oosten, mijn Doktorvater.’ De tweede promotor staat alleen alfabetisch in een lijst met ca. 60 personen die op de een of andere manier bij het schrijven van de biografie betrokken waren, verder komt ze in de biografie niet voor. Niets duidt op een daadwerkelijke begeleiding door de tweede promotor.

4 Het Leidse promotiereglement voorziet niet in een ontbinding van een promotiecommissie bij afwijzing van het manuscript en een daaropvolgende aanwijzing van een nieuwe commissie, zoals in het geval-Blom is gebeurd. Als argument voor de ad-hoc-procedure die nu is gevolgd wordt mede aangegeven ‘de verwachting dat het [namelijk: het handelen volgens de procedure] nog lang zou duren’. Uit de mediaberichten blijkt, dat dat ‘nog lang’ niet zo zeer te maken had met het geschikt maken van het manuscript voor toelating tot de promotie, als wel met de datum waarop de biografie moest verschijnen, namelijk op de tiende sterfdag van het onderwerp van het proefschrift, Jan Wolkers, namelijk 19 oktober 2017. De indruk ontstaat dat dit argument gebruikt is in het overleg van promotor en decaan en dus mede geleid heeft tot de ad-hoc-oplossing, en als die indruk juist is, dan heeft de decaan de commerciële belangen van de promovendus, die volgens mij geen enkele rol mogen spelen bij een promotie, zwaarder laten wegen dan de wetenschappelijke belangen. In de ‘Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening’ staat dit: ‘Wetenschappelijke activiteiten geschieden met zorgvuldigheid. Prestatiedruk mag daaraan geen afbreuk doen.’

5 Volgens artikel 20.1 van het Leidse promotiereglement is de decaan voorzitter en lid van de promotiecommissie, maar kan hij of zij een hoogleraar als plaatsvervanger aanwijzen, ook wijst de decaan een van de leden van de promotiecommissie als secretaris van de commissie aan. Hoewel dat niet uit de berichtgeving blijkt, veronderstel ik dat de Wim Willems, als inhoudelijk buitenstaander, secretaris en plaatsvervanger van de decaan was. De vraag ontstaat dan, hoe deze secretaris zijn functie goed namens de decaan heeft kunnen uitoefenen, als hij niet over dezelfde voorkennis beschikte als de decaan, namelijk over het bestaan van een eerdere promotiecommissie. Uit de berichtgeving blijkt namelijk dat Willems niet op de hoogte was van de eerdere commissie.

6 Ik heb ernstige twijfels bij de mededelingen van betrokkenen over de aanpassingen van het proefschrift. NRC Handelsblad meldt, zo te zien op gezag van de promotor: ‘Onno Blom paste zijn manuscript aan, hij kortte het met een kwart in.’ Dat verschil zou zichtbaar moeten zijn in de gegevens die over de geplande publieksuitgave van het proefschrift beschikbaar zijn (uitgaande van de mededeling van Onno Blom aan mij persoonlijk enkele jaren geleden dat hij geen twee verschillende boeken ging maken: proefschrift en publieksboek moesten hetzelfde boek zijn). Maar in de najaarsaanbieding van uitgeverij De Bezige Bij, die in de loop van maart 2017 verscheen, is de omvang in pagina’s van het voorgenomen boek nagenoeg gelijk aan de uitgave zoals die uiteindelijk op 19 oktober 2017 verscheen: 1168 resp. 1162 (1114 plus 48 p. illustraties). Nota bene: de afwijzing door de eerste commissie gebeurde in maart 2017, ongeveer gelijktijdig dus met het verschijnen van de najaarsaanbieding. Als het toen bestaande manuscript, op grond waarvan ongetwijfeld de calculatie van de omvang door de uitgeverij heeft plaatsgevonden, met een kwart is ingekort, zou dat zichtbaar moeten zijn in de uiteindelijke omvang van zowel het opnieuw ingeleverde manuscript als die van het publieksboek. Ook het proefschrift zoals dat overeenkomstig het promotiereglement aan de Universiteitsbibliotheek in Leiden is aangeboden, wijkt, zo blijkt uit de catalogus van die instelling, in omvang, zowel wat de dikte als het formaat van het boek betreft, niet wezenlijk af van het publieksboek. Mij lijkt dus, dat de mededelingen over het aanpassen van het manuscript niet overeenkomen met de feiten.

7 Hiermee samenhangend is mijn vermoeden, op basis van de beschikbare beelden, dat niet het proefschrift van Onno Blom voorlag bij de verdediging ten overstaan van de oppositiecommissie, maar het publieksboek. Volgens het promotiereglement (paragraaf 18) moet de promovendus ‘[t]en minste drie weken voor het tijdstip van de promotie’ tien exemplaren van het proefschrift en de stellingen bij de pedel en ‘een door de decaan te bepalen aantal exemplaren’ bij de decaan inleveren. Het lijkt erop, gezien de omvang en het formaat van het proefschrift zoals het in de catalogus van de Leidse universiteitsbibliotheek is opgenomen, dat een publieksboek met de volgens het Promotiereglement vereiste aanvullingen aan pedel en decaan is aangeboden, en dat zou ook betekenen dat dat niet de versie kan zijn die in tweede instantie door de promovendus is aangeboden aan de tweede promotiecommissie. Die commissie heeft namelijk pas in augustus 2017 besloten tot toelating van het proefschrift, hetgeen een maximale ruimte van ca. 6 weken zou opleveren voor de productie van een boek van ruim 1100 pagina’s, d.w.z. voor de redactie en de opmaak, voor het zetten en het corrigeren van de drukproeven, voor het maken van een register, voor het binden – iets wat op grond van mijn eigen lange ervaring met het maken van boeken van vergelijkbare inhoud en omvang niet mogelijk is. Mijn vermoeden is dat het publieksboek de reproductie is van een eerder manuscript dan de voor de promotie toegelaten versie, en dat bijgevolg die eerdere versie in de vorm van het publieksboek voorlag bij wat de verdediging van het proefschrift had moeten zijn. In dat publieksboek komt het woord proefschrift overigens helemaal niet voor (het is dan ook vreemd dat in annotatie bij de titelbeschrijving van de Koninklijke Bibliotheek ‘Tevens proefschrift’ is toegevoegd).

*
En sloot ik mijn e-mail zo af:

‘Samenvattend leiden deze vragen, vermoedens en feitelijke constateringen tot mijn verzoek aan u, zich over deze kwestie te buigen, en daarbij ook de opvattingen te betrekken die de verantwoordelijke promotor in deze kwestie, Willem Otterspeer heeft geventileerd (https://de-gids.nl/2016/no4/wat-de-donder-zegt) over het Promotiereglement van uw Universiteit en in dat reglement herhaaldelijk genoemde “toepasselijke gedragsregels voor de wetenschapsbeoefening”, zoals vastgelegd in “De Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening”.

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken, dat in deze kwestie de integriteit van de wetenschapsbeoefening ernstig in het geding is.’

Nog diezelfde dag kreeg ik antwoord. De Vertrouwenspersoon Wetenschappelijke Integriteit van de Universiteit Leiden had a) de kwestie uitsluitend via de berichtgeving in de NRC gevolgd en vindt het b) ‘niet [haar] taak als vertrouwenspersoon om zelf actie te ondernemen in zaken als deze of van wat voor aard dan ook, maar uitsluitend indieners van een klacht met betrekking tot een mogelijke schending van de wetenschappelijke integriteit van advies te dienen.’ Ik herhaal voor de duidelijkheid: ‘of van wat voor aard dan ook’. Kort samengevat: een Vertrouwenspersoon Wetenschappelijke Integriteit die haar taakomschrijving negeert weigert onderzoek te doen naar een universiteitsleiding die haar eigen promotiereglement negeert.

Ik moet eerlijk bekennen dat deze reactie precies voldeed aan de verwachtingen die ik er van had. Het is helemaal niet de bedoeling dat de wetenschappelijke integriteit wordt beschermd: het is de bedoeling de wetgever tevreden te stellen die dit soort functies en gremia verplicht stelt, en verder moet de eigen instelling worden beschermd tegen negatieve aandacht. Wetenschappelijke integriteit interesseert nauwelijks iemand, ook wetenschappers niet, en dat is een integriteitsprobleem op zich.